RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9809
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
(gemachtigde: mr. A. Hielkema).
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in verband met de intrekking van zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.
Het college heeft de bijstandsuitkering ingetrokken omdat verzoeker geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Verzoeker is het hier niet mee eens.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college en wijst in deze uitspraak het verzoek af.
Procesverloop
1. Verzoeker heeft op 25 november 2025 bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen door het college van zijn bijstandsuitkering over de maand november 2025. Op 3 december 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2. Met het bestreden besluit van 4 december 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker met ingang van 13 november 2025 ingetrokken en beëindigd. Het bezwaar van 25 november 2025 en het verzoek om een voorlopige voorziening van 3 december 2025 worden nu geacht te zijn gericht tegen dit besluit.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
3. Verzoeker (1968) verblijft al 36 jaar in Nederland, voor het grootste deel zonder geldige verblijfstitel.
4. Met het besluit van 9 oktober 2025 heeft het college verzoeker een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 14 juli 2025.
5. Het college heeft op 19 november 2025 contact gehad met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verblijfsrechtelijke status van verzoeker. Hieruit is naar voren gekomen dat verzoeker per 13 november 2025 niet langer rechtmatig verblijf heeft en daarom niet meer over een verblijfstitel beschikt die recht geeft op bijstand.
Waar gaat deze zaak om?
6. Het college heeft de bijstandsuitkering vanaf 13 november 2025 ingetrokken, omdat verzoeker met ingang van die datum geen geldige verblijfstitel meer heeft die recht geeft op een bijstandsuitkering. Over de periode van 1 november tot en met 12 november 2025 heeft nog wel een nabetaling van € 371,60 plaatsgevonden. Ook de opgebouwde vakantietoeslag van € 194,65 zal nog aan verzoeker worden uitgekeerd.
7. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat hem alsnog bijstand wordt toegekend, totdat op zijn bezwaar is beslist.
Spoedeisend belang
8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningen-rechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Verzoeker voert aan dat hij door de stopzetting van zijn bijstandsuitkering geen middelen meer heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien, een zorgverzekering af te sluiten of zijn medische kosten te betalen. Verzoeker moet naar eigen zeggen wekelijks in het oogziekenhuis zijn voor controles en behandelingen. Op dit moment leeft hij van het geld dat zijn kinderen hem geven en van geleend geld van kennissen.
De voorzieningenrechter ziet hierin nog wel een spoedeisend belang en zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
9. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Behoort verzoeker tot de kring van rechthebbenden?
10. Op deze uitspraak is het juridisch kader van toepassing zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Verzoeker valt niet onder de reikwijdte van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) al omdat hij niet de Nederlandse nationaliteit heeft.
Verzoeker behoort ook niet tot de categorieën van vreemdelingen die op grond van artikel 11, tweede of derde lid, van de Pw met een Nederlander worden gelijkgesteld.
Verzoeker heeft op 3 december 2024 een aanvraag gedaan tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez.
Met het besluit van 13 november 2025 heeft de IND deze aanvraag afgewezen.
Naar aanleiding van dit besluit is de statuscode van verzoeker gewijzigd van code 30 (geldige verblijfstitel) naar code 98 (geen verblijfstitel).
Op 19 november 2025 heeft het college van de IND de melding ontvangen dat verzoeker met ingang van 13 november 2025 staat geregistreerd met code 98. Naar aanleiding hiervan heeft het college de bijstandsuitkering ingetrokken.
Het college mag uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie zoals verstrekt door de IND. Uit deze informatie volgt dat verzoeker per 13 november 2025 niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dus ook niet langer over een verblijfsstatus beschikt die recht geeft op bijstand. Dat tegen het besluit van 13 november 2025 bezwaar open staat maakt dat niet anders. Verzoeker mag de bezwaarprocedure immers niet in Nederland afwachten. Anders dan verzoeker stelt is dus geen sprake van schorsende werking als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Daarbij is tevens van belang dat tegen verzoeker sinds 2013 een terugkeerbesluit van kracht is en een zwaar inreisverbod. Uit artikel 73, derde lid, van de Vw volgt dat de terugkeerverplichting niet wordt opgeschort gedurende de termijn voor het maken van bezwaar zolang geen bezwaar is gemaakt. Er is dus ook geen sprake (meer) van procedureel rechtmatig verblijf.
De briefwisseling met (het Kabinet van) de Koning levert verzoeker niet alsnog rechtmatig verblijf op. Verzoeker heeft de Koning op 2 september 2024 aangeschreven met het verzoek zijn situatie op schrijnendheid te beoordelen. Op 26 september 2024 heeft hij een schriftelijke reactie ontvangen. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 7 november 2025 heeft de IND dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 26 september 2024 geen juridische status heeft en dus geen appellabel besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Het beroep tegen dit besluit schort de werking van het terugkeerbesluit van 2013 echter niet op.
Afstemming bijstand en dringende redenen
11. Verzoeker voert aan dat het college op grond van het individualiseringsbeginsel voortvloeiende uit artikel 18 van de Pw de bijstand had moeten afstemmen, gelet op zijn medisch situatie en omdat hij onvoldoende geld heeft om in de kosten voor levensonderhoud en medische zorg te voorzien.
De voorzieningenrechter kan verzoeker hierin niet volgen. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker met ingang van 13 november 2025 geen aanspraak meer maakt op bijstand. Daarom kan er ook geen sprake zijn van afstemming. Ook het beroep ter zitting op zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Pw slaagt niet, nu deze bepaling op grond van het tweede lid van dit artikel niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de Pw. Verder bestaat geen ruimte voor een belangenafweging.
Opgewekt vertrouwen
12. Verzoeker voert aan dat sprake is van opgewekt vertrouwen, omdat het college hem met het besluit van 9 oktober 2025 met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering heeft toegekend en de situatie volgens hem sindsdien niet is gewijzigd.
Verzoeker kan hierin niet worden gevolgd. Ten tijde van het besluit van 9 oktober 2025 was verzoeker nog in afwachting van de beslissing op zijn verblijfsaanvraag van 3 december 2024 en gold voor hem de statuscode 30 (geldige verblijfstitel). Deze statuscode gaf dus recht op bijstand. Met het besluit van 13 november 2025 heeft de IND de verblijfs-aanvraag afgewezen en is de statuscode gewijzigd van code 30 naar code 98 (geen verblijfstitel). Met deze code (98) had verzoeker geen recht meer op bijstand.
Het college mag overigens terugkomen van een eerder genomen besluit als nieuwe feiten en relevante omstandigheden daarvoor aanleiding geven.
Conclusie en gevolgen
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen bijstandsuitkering krijgt, of voorschotten daarop. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: 1.
Bijlage: juridisch kader
Participatiewet (Pw)
Artikel 11. (Rechthebbenden) luidt – voor zover van belang – als volgt:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of
b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.
Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Artikel 8 luidt – voor zover van belang – als volgt:
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
(…)
e.als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
(…)
h.in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.