RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak van 16 januari 2026
In de zaak van
[verzoeker 1] en [verzoeker 2],
wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
verzoekers.
1. De procedure
Verzoekers hebben op 15 december 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 15 december 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 8 januari 2026.
Gerechtsdeurwaarderskantoor Van Beest, Knol & Vermeulen (hierna: deurwaarder) heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting op 30 december 2025 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De deurwaarder heeft op 6 januari 2026 aan de rechtbank aanvullende stukken overgelegd.
Ter zitting van 8 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
De deurwaarder heeft op 9 januari 2026 aan de rechtbank aanvullende stukken overgelegd.
Schuldhulpverlening heeft op 13 januari 2026 aan de rechtbank aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomen uit onderneming. De huur bedraagt € 918,- per maand. Verzoekers hebben op 31 december 2025 de gehele vordering van de verhuurder voldaan. De huurtermijn van januari 2026 is op 31 december 2025 tijdig betaald. Verzoekers zullen zelf zorgdragen voor tijdig betaling van de lopende huurtermijnen.
3. Het verweer
In haar verweerschrift heeft verweerster aangegeven dat het verzoek dient te worden afgewezen. Verzoekers hebben een aanzienlijke huurachterstand van € 4.968,86. Eerdere betalingsregelingen met verweerster zijn niet nagekomen. In haar bericht van 6 januari 2026 schrijft de deurwaarder dat een bedrag van € 4.050,86 door verzoekers is voldaan. Er staat nog een bedrag van € 918,- (een huurtermijn) open. De deurwaarder heeft de achterstand van € 918,- bevestigd in haar bericht van 9 januari 2026.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 2 december 2025 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 december 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij met hun kinderen in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 november 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers hebben (bijna) de gehele vordering van verweerster voldaan. Ook is de huurtermijn van januari 2026 tijdig op 31 december 2025 voldaan. Daarnaast heeft de rechtbank er voldoende vertrouwen in dat verzoekers zelf zorg zullen dragen om de lopende huurtermijnen tijdig te voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank zal de voorziening wel voor een kortere periode toewijzen dan waar door verzoekers om is verzocht. Naast de (eventuele) openstaande schuld aan de verhuurder hebben verzoekers – volgens de verklaring van schuldhulpverlening – slechts een beperkte schuldenlast. Of een eventueel Wsnp-verzoek kans van slagen heeft, is (gelet op deze beperkte schuldenlast) de vraag. Het schuldhulpverleningstraject kan ieder geval, naar het oordeel van de rechtbank, op korte termijn worden afgerond. De rechtbank zal de voorziening toewijzen voor drie maanden.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van hun verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 11 november 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres], [postcode] te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden vanaf 15 december 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoeken ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.