Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 83-327924-23 (ontneming)
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[naam veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het detentieadres PI [naam P.I.] , [detentieadres] , [postcode] [detentieplaats] ,
raadsman mr. D.C. Vlielander, advocaat in Utrecht.
1. Procedure
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026, gelijktijdig met het onderzoek in de strafzaak.
2. Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 29 januari 2026 (hierna: het vonnis in de strafzaak) is
[naam veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor het medeplegen van oplichting en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd in de periode van 29 oktober 2021 tot en met 24 juli 2024. Dat vonnis is niet onherroepelijk.
3. Vordering
De vordering van de officier van justitie mr. R.P. Zwarts strekt tot:
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
4. Standpunt verdediging
De officier van justitie moet niet-ontvankelijk worden verklaard (de rechtbank begrijpt: de ontnemingsvordering moet worden afgewezen) vanwege de in de strafzaak bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 120.000,- en meer subsidiair op € 180.000,-. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van de vordering worden besproken.
5. Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan. Kort samengevat is bewezen dat de veroordeelde voor 412 aanvragers in totaal 661 valse aanvragen/wijzigingen kinderopvangtoeslag heeft opgemaakt en ingediend (valsheid in geschrift), en dat Dienst Toeslagen aan 236 van die aanvragers als gevolg daarvan ten onrechte geldbedragen heeft uitgekeerd, in totaal € 4.551.531,- (oplichting). In de ontnemingszaak wordt dit als vaststaand aangenomen, zodat de rechtbank het primaire verweer verwerpt. Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) en de verklaring van de verdachte dat hij een vergoeding kreeg voor het aanvragen of wijzigen van kinderopvangtoeslag blijkt dat de veroordeelde door middel van deze feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De berekening in het ontnemingsrapport is gebaseerd op een ontvangen vergoeding per aanvrager. Op grond van de oplichting wordt uitgegaan van het aantal aanvragers aan wie ten onrechte kinderopvangtoeslag is uitgekeerd, namelijk 236 aanvragers.
Daarnaast bestaan voldoende aanwijzingen, in de zin dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld, dat de veroordeelde ook andere strafbare feiten heeft begaan en dat hij ook daaruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier blijkt dat de veroordeelde voor 303 aanvragers (burgerservicenummers) kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en/of gewijzigd, aan wie ook daadwerkelijk kinderopvangtoeslag is uitgekeerd, terwijl Dienst Toeslagen achteraf heeft vastgesteld dat die aanvragers in de betreffende periode geen recht hadden op kinderopvangtoeslag en die dus ten onrechte hebben ontvangen. Voor 236 van deze 303 aanvragers geldt dat de aanvragen en/of wijzigingen uitsluitend via een IP-adres van de veroordeelde zijn ingediend. Voor de overige 67 aanvragers is (tenminste) een aanvraag en/of wijziging kinderopvangtoeslag ingediend via een IP-adres van de veroordeelde, maar is ook via een onbekend IP-adres (tenminste) een aanvraag of wijziging ingediend.
Volgens de officier van justitie kunnen deze 67 aanvragers desondanks worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hij heeft hiertoe allereerst aangevoerd dat een deel van de onbekende IP-adressen zeer waarschijnlijk ook aan de verdachte kan worden gekoppeld. Voor zover dat niet het geval is, geldt daarnaast dat ook door het handelen van de veroordeelde een bedrag aan kinderopvangtoeslag ten onrechte is uitgekeerd. De officier van justitie vindt het daarom aannemelijk dat de veroordeelde ook van deze 67 aanvragers een vergoeding voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen.
De verdediging heeft hiertegen uitsluitend tegenover gesteld dat de verdachte een lager bedrag aan vergoedingen heeft ontvangen. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de verklaring van de veroordeelde dat hij ongeveer € 120.000,- heeft verdiend met het aanvragen en/of wijzigen van kinderopvangtoeslag, en meer subsidiair naar het bedrag dat de veroordeelde op zijn bankrekening heeft ontvangen, ongeveer € 180.000,-.
De rechtbank vindt dat de verdediging hiermee de berekening zoals die is opgenomen in het ontnemingsrapport onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van die berekening af te wijken. Nog daargelaten dat de verdediging het aantal betrokken aanvragers niet heeft betwist en een bedrag op zichzelf niets zegt over het aantal aanvragers dat ten onrechte kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, blijkt uit het ontnemingsrapport en de onderliggende stukken uit het strafdossier dat de veroordeelde naast de ontvangen bedragen op zijn bankrekening heeft beschikt over grote contante geldbedragen. De veroordeelde heeft daarvoor geen verklaring gegeven, terwijl dat gelet op de inhoud van de stukken wel op zijn weg had gelegen.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande buiten redelijke twijfel vast dat de verdachte ook met betrekking tot deze 67 aanvragers valsheid in geschrift heeft gepleegd en Dienst Toeslagen heeft opgelicht, dat hij dus in die zin andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e, tweede lid, Sr heeft begaan, en dat hij ook daaruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
6. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, is gebaseerd op de berekening in het ontnemingsrapport. Die berekening is voldoende door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen onderbouwd en door de verdediging, anders dan het voorgaande, niet weersproken. Daarom zal worden volstaan met het vermelden van de conclusie van het ontnemingsrapport.
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel behelst het aantal personen waarvoor de veroordeelde gedurende de onderzoeksperiode een aanvraag en/of wijziging kinderopvangtoeslag heeft ingediend en waarvoor Dienst Toeslagen heeft vastgelegd dat geen recht bestond op kinderopvangtoeslag maar dit wel is uitgekeerd, te weten 303 personen, vermenigvuldigd met de vergoeding die de veroordeelde van de betreffende aanvrager en/of diens (toeslag)partner heeft ontvangen. Voor die vergoeding is een gewogen gemiddeld berekend, te weten € 1.113,-. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is daarmee berekend op € 337.239,-.
Bij de bepaling van de hoogte van het voordeel kunnen kosten in mindering worden gebracht die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten waarop het voordeel is gebaseerd en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen. De verdediging heeft niet gesteld dat de veroordeelde dergelijke kosten heeft gemaakt, zodat daar in de berekening geen rekening mee wordt gehouden.
Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 337.239,-. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.
7. Vaststelling van de betalingsverplichting
De verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeelde 67 jaar oud is en dat zijn gezondheid te wensen over laat, zodat vraagtekens moeten worden geplaatst bij zijn verdiencapaciteit. Om die reden is verzocht de betalingsverplichting vast te stellen op nihil.
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en dat de draagkracht van de veroordeelde pas aan de orde kan komen in de executiefase. Op dit moment is niet duidelijk dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en het is te vroeg om nu al vast te stellen dat de veroordeelde naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet in staat zal zijn het bedrag te betalen. Het gevoerde draagkrachtverweer kan daarom niet slagen. Indien in de toekomst blijkt dat geen middelen tot terugbetaling voorhanden zijn, kan de veroordeelde de rechter om een (nadere) beslissing verzoeken op grond van artikel 6:6:26 Sv.
De slotsom is dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd om een bedrag van € 337.239,- aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.
8. Maximale duur gijzeling
Op grond van artikel 6:6:25 Sv zal de duur van de gijzeling worden vastgesteld die ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van het ontnemingsbedrag niet mogelijk is.
Uitgaande van een maximum duur van de gijzeling van drie jaar (artikel 36e, elfde lid, Sr) hanteert de rechtbank naar rato de volgende verdeling:
Het aantal dagen gijzeling in deze zaak zal daarom worden vastgesteld op 360 dagen (voor de eerste € 50.000,-) plus 230 dagen voor de resterende € 287.239,- (€ 287.239,- / 450.000,- X 360) is 590 dagen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 337.239,- (zegge: driehonderdzevenendertigduizend tweehonderdnegenendertig euro);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 337.239,- (zegge: driehonderdzevenendertigduizend tweehonderdnegenendertig euro) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 590 dagen (zegge: vijfhonderdnegentig dagen).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.M. Riemens, voorzitter,
en mrs. R.H. Kroon en I. Tillema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 januari 2026.
Mrs. Kroon en Tillema zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.