RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710853 / JE RK 25-2461
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.K. Oosterveen, kantoorhoudende te Rotterdam,
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 27 november 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de ouders.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Er is een hoop hulpverlening ingezet in het gezin. Intensieve Hulpverlening geeft aan dat het onduidelijk is wat er precies speelt binnen het gezin. De ouders zijn meewerkend en betrokken, maar door de complexiteit van hun eigen problematiek kunnen zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onvoldoende ondersteunen. De ouders vragen hulp in crisissituaties, maar wanneer de druk afneemt trekken zij zich terug. De Raad acht langdurige ondersteuning noodzakelijk.
4. De standpunten
De GI heeft zich ter zitting bij het standpunt van de Raad aangesloten. Het gezin kan de regie van een jeugdbeschermer nodig hebben om tot een duidelijke hulpvraag te komen en om passende hulp voor de kinderen te vinden.
Door en namens de ouders wordt verweer gevoerd tegen de verzochte ondertoezichtstelling. De ouders hebben, toen het niet goed ging met een van de oudere halfzussen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zelf aan de bel getrokken. Hierdoor kwamen de ouders weer in beeld bij de Raad. De ouders hebben altijd goed samengewerkt met de hulpverlening en dat doen zij nu ook. Het gaat goed met de jongens. De school van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou aan de bel trekken als er iets aan de hand is, maar dat is niet gebeurd. Daarnaast gaat het met de ouders ook beter. De moeder heeft EMDR positief afgesloten en de ouders hebben ook relatietherapie gehad. Er is in november gestart met MultiDimensionele FamilieTherapie (MDFT) en de therapeut komt een aantal uren per week bij het gezin over de vloer. Daarbij wordt gekeken naar het hele gezinssysteem. De therapeut kijkt naar de band tussen de ouders en elk kind en geeft dan tips aan de ouders. MDFT zal zes maanden betrokken zijn en kan worden verlengd als dat nodig is.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van de jeugdbescherming als de minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouders de zorg, die nodig is om deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen, niet of onvoldoende accepteren (artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter is, gelet op de stukken en de mondelinge behandeling, van oordeel dat niet wordt voldaan aan dit criterium. De kinderrechter legt hierna uit waarom niet.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun leven al veel meegemaakt door de eigen problematiek van de ouders en die van hun halfzussen. Het hele gezin werd daardoor belast. Er was sprake van terugkerende instabiliteit, spanningen en onrust en hulpverlening had volgens de betrokken hulpverleners onvoldoende blijvend effect vanwege de wisselende houding van de ouders. Het lukte alleen om hulp in te zetten in geval van crisissituaties.
De afgelopen periode hebben de ouders zelf hulp gezocht vanwege het gedrag van een van de drie halfzussen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waardoor de Raad opnieuw betrokken raakte. Die halfzus en een van de andere twee halfzussen zijn in november 2025 onder toezicht gesteld voor de duur van twaalf maanden.
Ter zitting is gebleken dat in november 2025 MDFT in het gezin is gestart en zijn vruchten lijkt af te werpen. De ouders hebben aangegeven blij te zijn met deze hulp, die zich niet alleen op de hiervoor bedoelde halfzus van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maar op het hele gezin is gericht. De ouders willen deze hulp blijven accepteren, ook als deze verlengd wordt. Zij zien het belang in van MDFT en werken daaraan goed mee.
Aan het vereiste dat de noodzakelijk geachte hulp niet of onvoldoende door de ouders wordt geaccepteerd, is dan ook niet voldaan. Daarnaast zijn er instanties betrokken bij het gezin die aan de bel trekken wanneer het niet goed gaat.
Gelet op het voorgaande, wijst de kinderrechter het verzoek van de Raad af.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 15 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.