RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/703897 / JE RK 25-1526
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F. el Makhtari, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
In zijn adviserende taak is gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 5 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage van de GI van 23 december 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 31 december 2025;
het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van [naam instelling 1] van mei 2025, ontvangen op 6 januari 2026;
de aantekeningen die de advocaat van de moeder tijdens de zitting heeft overgelegd;
de brief door de vader ter zitting voorgelezen en vervolgens overgelegd.
Op 9 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader;
een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] ;
een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 2] ;
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij [naam instelling 1] op een crisisgroep.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 oktober 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 14 januari 2026. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.
3. Het (aangehouden) verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 14 januari 2026 is al beslist. Nu resteert een beslissing over de periode tot 14 oktober 2026.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Er is een lange periode gezocht naar een passende plek voor [minderjarige] . Bij [naam instelling 2] kan [minderjarige] de zorg krijgen die hij nodig heeft. Uit het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van [naam instelling 1] blijkt dat 24-uurs toezicht voor [minderjarige] nodig is. De GI acht daarom een terugplaatsing bij de moeder momenteel niet passend. Bij [naam instelling 2] kan in stappen gewerkt worden richting een thuisplaatsing van [minderjarige] .
4. De standpunten
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Primair wordt verzocht om het verzoek af te wijzen, subsidiair om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 1 maart 2026 om een vinger aan de pols te houden, omdat de plaatsing bij [naam instelling 2] begin februari zal zijn. Momenteel wordt alleen gewacht op een plaatsing bij [naam instelling 2] . Er wordt niet gekeken naar alternatieven. De moeder heeft niet het gevoel dat de GI echt haar best gedaan heeft voor [minderjarige] . Er zijn veel wisselingen van jeugdbeschermers geweest en telkens is beterschap beloofd. De moeder ontvangt weinig tot geen informatie en moet zelf overal achteraan gaan. Ook de aanmelding bij [naam instelling 2] is pas definitief geworden, nadat de moeder bij de GI had aangegeven dat de aanmelding niet correct gedaan was. Daarnaast ontbreekt ter zitting cruciale informatie over Profila Zorg. De GI stelt dat thuisplaatsing geen optie is, maar uit het verslag van onderzoek van [naam instelling 1] blijkt dat dit wel degelijk een optie is, mits de juiste hulpverlening wordt ingezet. De moeder staat open voor deze intensieve hulpverlening en wil overal aan meewerken.
De vader heeft ter zitting een brief voorgelezen en vervolgens overgelegd, waarin – samengevat – het volgende naar voren wordt gebracht. De vader voert verweer tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en wil dat [minderjarige] terug naar huis gaat. De vader is er teleurgesteld over dat [minderjarige] niet eerder de nodige hulp heeft gekregen. In de kerstvakantie is [minderjarige] een lange tijd bij zijn moeder geweest en hij heeft toen bij de vader geslapen. Dit is goed gegaan en het is tijd dat [minderjarige] weer naar huis komt en een tweede kans krijgt. De vader geeft aan dat [minderjarige] op de crisisopvang geen 24-uurs toezicht krijgt en vindt de crisisopvang geen veilige plek.
5. Het advies van de Raad
Volgens de Raad zijn de risico’s rondom [minderjarige] nog onverminderd aanwezig. [minderjarige] kampt met een verstoorde seksualiteit. Het is lastig om richting een gezonde ontwikkeling te gaan. Uit het verslag van het onderzoek van [naam instelling 1] blijkt daarnaast dat het systeem kwetsbaar is. De Raad vraagt zich af hoe intrinsiek gemotiveerd de ouders zijn om de veiligheid te waarborgen. Het nakomen van afspraken is cruciaal voor de veiligheid van [minderjarige] en de andere kinderen. De GI verwacht dat er begin februari plek is bij [naam instelling 2] . Bij [naam instelling 2] kan tegemoetgekomen worden aan de complexe zorgvraag van [minderjarige] . Daar is de juiste expertise in huis en kan geboden worden wat [minderjarige] nodig heeft. De Raad begrijpt dat de ouders het gevoel hebben dat het heel lang duurt en dat zij vinden dat anderhalf jaar in een crisisopvang te lang is. Gezien wordt dat de ouders het er moeilijk mee hebben. Het is daarom belangrijk dat de GI de ouders meeneemt in het proces. Het is belangrijk om te kijken wat in het belang van [minderjarige] is. Een plaatsing bij [naam instelling 2] is in zijn belang.
6. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
Bij voormelde beschikking van 5 november 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder kort verlengd. De kinderrechter was op basis van de beschikbare informatie onvoldoende in staat om te beslissen of een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, zoals namens haar bepleit, onder voorwaarden verantwoord zou zijn of dat de beoogde plaatsing bij [naam instelling 2] in zijn belang noodzakelijk is. Intussen achtte de kinderrechter het gezien zijn problematiek noodzakelijk dat de plaatsing van [minderjarige] op de huidige crisisopvang van [naam instelling 1] zou worden gecontinueerd.
Inmiddels staat [minderjarige] bovenaan de wachtlijst en het is de verwachting dat hij in februari 2026 bij [naam instelling 2] geplaatst kan worden. Volgens de GI en de Raad is een plaatsing daar in zijn belang vanwege de complexe problematiek en het 24-uurs toezicht dat nodig is. Daarbij heeft de GI in de briefrapportage aangegeven dat het inzetten van hulpverlening moeilijk is gebleken. Profila zorg is in de thuissituatie bij de moeder betrokken, maar heeft geen contact met [minderjarige] gehad en daardoor geen zicht kunnen krijgen op de interactie tussen hem en de moeder en de draaglast en draagkracht van de moeder.
Uit het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van [naam instelling 1] komt naar voren dat de grootste risicofactoren het niveau van cognitief functioneren van [minderjarige] en zijn beperkte impulsbeheersing zijn en 24-uurs toezicht noodzakelijk is om het extern geweten van [minderjarige] aan te sturen om situaties die zich eerder hebben voorgedaan te voorkomen. Uit het onderzoek is door een gebrek aan informatie onvoldoende duidelijk geworden over de oorzaak van het seksueel grensoverschrijdend gedrag bij [minderjarige] . Het bleek moeilijk om het onderwerp seksualiteit met [minderjarige] en de ouders te bespreken, waardoor vele vragen onbeantwoord bleven. Volgens de onderzoekster is verdiepingsdiagnostiek noodzakelijk om grip te krijgen op de in standhoudende factoren van het gedrag van [minderjarige] . Bij die diagnostiek dient er ook meer aandacht te zijn voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en de gewetensontwikkeling van [minderjarige] . Uiteindelijk moet het grensoverschrijdende gedrag worden verminderd, zodat [minderjarige] toekomt aan een gezonde seksuele ontwikkeling. In het kader van het traject van [minderjarige] is intensieve ondersteuning van de ouders noodzakelijk, aldus de onderzoekster.
De kinderrechter is gezien het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van [naam instelling 1] - anders dan de ouders - van oordeel dat een plaatsing bij [naam instelling 2] in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Een terugplaatsing van bij de moeder acht de kinderrechter gezien de ernstige zorgen over zijn ontwikkeling en het seksueel grensoverschrijdende gedrag, dat aanleiding was voor de uithuisplaatsing, en de veiligheidsrisico’s op dit moment niet verantwoord. Uit het verslag van het overleg bij [naam instelling 2] op 30 oktober 2025 blijkt dat daar de benodigde expertise aanwezig is om [minderjarige] de begeleiding en behandeling te kunnen bieden die hij nodig heeft, ook als het gaat om seksualiteit. Ook kan daar de verdiepingsdiagnostiek plaatsvinden die is geadviseerd en bezien worden wat het perspectief van [minderjarige] is. De kinderrechter hoopt dat de plaatsing, zoals nu verwacht, in februari 2026 daadwerkelijk gerealiseerd kan worden.
De kinderrechter begrijpt de frustratie van de ouders, omdat de passende hulp lang op zich laat wachten. De kinderrechter acht de plaatsing bij [naam instelling 2] echter cruciaal voor een zo gezond mogelijke ontwikkeling van [minderjarige] , in het bijzonder op het gebied van seksualiteit. De kinderrechter verwacht in dit verband dat de GI de ouders meeneemt in het traject van [minderjarige] bij [naam instelling 2] en hen daarbij betrekt, zodat zij de plaatsing kunnen ondersteunen, en gezien het advies van de onderzoekster van [naam instelling 1] daarover beziet welke hulpverlening beide ouders nodig hebben. De ouders lijken gebaat te zijn bij adviezen en begeleiding om goed te kunnen omgaan met het risicovolle gedrag van [minderjarige] . Dit draagt bij aan een veilige opvoedomgeving voor alle kinderen.
Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de machtiging te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de duur van de intensieve begeleiding en behandeling bij [naam instelling 2] minimaal een jaar zal zijn.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 16 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.