[eiser], uit Maasdam, eiser
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).
Inleiding
Het beroep van eiser is gericht tegen de in bezwaar gehandhaafde aan eiser opgelegde lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer (LEMG).
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het CBR. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt het bestreden besluit,
- herroept de opgelegde LEMG en bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,
- veroordeelt het CBR tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 1.411,04, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 986,- vanaf de momenten dat eiser de betalingen heeft verricht, tot het moment dat het CBR de bedragen terugbetaalt aan eiser,
- bepaalt dat het CBR het door eiser betaalde griffierecht ( € 194,-) aan hem moet vergoeden;
- veroordeelt het CBR in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 63,86.
Motivering
Niet meer in geschil is dat het op zichzelf is toegestaan dat de snelheid van eiser werd gemeten door een verbalisant die in een auto voor eiser reed. De discussie spitst zich toe op de vraag of de door eiser gereden snelheid voldoende zorgvuldig is vastgesteld. Tijdens de zitting heeft het CBR gezegd dat de meting zou zijn gedaan op een moment dat eiser inliep op de politieauto. Uit de mededeling van de politie blijkt niet wanneer de meting is gedaan. Eiser heeft beelden overgelegd van zijn dashcam. Duidelijk is dat de afstand tussen eisers auto en de politieauto niet min of meer gelijk bleef, zoals wel is vermeld in de mededeling van de politie. Op de beelden is te zien dat de politieauto uitloopt en dat eiser slechts inloopt op momenten dat de politieauto moest remmen vanwege ander verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank staat, gelet op het overige verkeer dat op de beelden is te zien wel vast dat eiser te snel heeft gereden, maar is er teveel onduidelijk over de wijze waarop de snelheid van eiser is bepaald, waardoor er twijfel is over de juistheid daarvan. Daarom staat niet voldoende vast dat de grens die geldt voor het opleggen van een LEMG is overschreden. Het CBR mocht die maatregel daarom niet opleggen.
Het door eiser ingediende verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank gedeeltelijk toe. Het CBR moet de reeds betaalde opleggings- en uitvoeringskosten (gezamenlijk € 986,-) aan eiser terugbetalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de momenten dat eiser de betalingen heeft verricht, tot het moment dat het CBR de bedragen terugbetaalt aan eiser. Verder moet het CBR de kosten die eiser heeft gemaakt voor het bijwonen van de eerste cursusdag op 16 januari 2026 aan hem betalen (€ 406,- verletkosten en 68 x € 0,28 = € 19,04 reiskosten). De rechtbank wijst het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding toe te kennen af, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke schade heeft geleden. Het CBR moet het griffierecht aan eiser vergoeden en moet ook de proceskosten van eiser aan hem vergoeden. Voor zijn reiskosten krijgt eiser een vergoeding van € 10,86 (19,4 x 2 x € 0,28). Voor zijn verletkosten krijgt eiser een vergoeding van € 53,- (€ 106 x 0,5).
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dit proces-verbaal is vastgesteld door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Blokhuis, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.