ECLI:NL:RBROT:2026:778

ECLI:NL:RBROT:2026:778

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer ROT 22/179 T
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Omgevingsrecht. Wabo. Tussenuitspraak. Beroep tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het vernieuwen van de bestaande serre en berging achter de woning van vergunninghouder. Naar het oordeel van de rechtbank voert eiser terecht aan dat het college de aanvraag gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo voor de serre en de berging mede had moeten aanmerken als een activiteit als bedoeld onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. De rechtbank volgt het betoog van eiser dat het bouwplan voor de serre en berging in strijd is met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels. Het college wordt met de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Capelle aan den IJssel, eiser

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 22/179 T

(gemachtigden: mr. S.K. Reijke en mr. drs. J.M. Lammers),

en

(gemachtigde: mr. S. Yavuzyiğitoğlu).

Als derde-partij neemt aan het geding deel [naam 1] te Capelle aan den IJssel, vergunninghouder

(gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen).

Procesverloop

1. Met het besluit van 29 juni 2021 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het vernieuwen van de bestaande serre en berging achter de woning aan de [adres] (het perceel).

Met het besluit van 7 december 2021 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college onder een aanvullende motivering bij dat besluit gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser, de gemachtigde van het college, bijgestaan door mr. C. Haak en [naam 2] en vergunninghouder en zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 31 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Toetsingskader

3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Vergunninghouder wil met zijn bouwplan de bestaande serre achter zijn woning vervangen door een nieuwe aanbouw (hieronder aangeduid als ‘serre en berging’).

Op grond het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Middelwatering” heeft het perceel de enkelbestemming “Wonen” en voor zover relevant de dubbelbestemming “Waarde – Beschermd dorpsgezicht”. Verder geldt de specifieke bouwaanduiding gemeentelijk monument.

Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) en de activiteit slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of herstellen, gebruiken of laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, van een gemeentelijk monument (artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo).

Is eiser belanghebbende?

5. Vergunninghouder stelt zich op het standpunt dat eiser niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn bezwaar, omdat hij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) is.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. In artikel 7:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende, alvorens beroep in te stellen, bezwaar moet maken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5996), is, wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals een bestemmingsplan of een vergunning – toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraken van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671, en van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1910, wordt belanghebbendheid bij besluiten krachtens de Wabo in beginsel aangenomen bij bewoners en eigenaren, en ook bij anderszins zakelijk- of persoonlijke gerechtigden van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het besluit gaat of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Bij dergelijke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als het uitgesloten is dat betrokkene feitelijke gevolgen ondervindt.

De rechtbank stelt vast dat het perceel van eiser direct grenst aan het perceel van vergunninghouder. Gelet op de zeer geringe afstand van het bouwplan tot de woning van eiser, oordeelt de rechtbank dat niet uitgesloten is dat eiser feitelijke ondervindt van het bouwplan. Het betoog van vergunninghouder dat de schuur op het perceel van eiser het zicht op het bouwplan ontneemt, volgt de rechtbank niet, nu de schuur niet aan de zijde van het perceel van vergunninghouder is gelegen. Dit brengt met zich dat het college eiser terecht als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb in zijn bezwaar heeft aangemerkt.

Maakt eiser misbruik van recht?

6. De enkele stelling van het college op zitting dat eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep, omdat eiser, zoals op zitting door het college is toegelicht, veel procedures aanspant, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van misbruik van recht.

Relativiteit

7. Op zitting heeft het college gesteld dat de beroepsgronden over de aantasting van cultuurhistorische waarden, die onder 9 en 10 worden behandeld, niet kunnen slagen, omdat het relativiteitsvereiste, neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, zich verzet tegen de vernietiging van het bestreden besluit.

Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

De woning van vergunninghouder is aangewezen als gemeentelijk monument en ligt in een beschermd dorpsgezicht. De Afdeling heeft in de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.76 e.v. overwogen dat bepalingen die zijn neergelegd in onder meer de Erfgoedwet en in erfgoedverordeningen over de bescherming van monumenten strekken ter bescherming van het algemeen belang van het behoud van cultuurhistorische waarden. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit eveneens voor de aanwijzing van gronden tot beschermd dorpsgezicht, omdat regelgeving hierover, zoals hier aan de orde artikel 21 van de planregels, ook het belang van het behoud van cultuurhistorische waarden beoogt te beschermen.

Regels die strekken tot bescherming van het algemeen belang van het behoud van cultuurhistorische waarden strekken niet ter bescherming van de belangen van een individuele eiser, tenzij de gevreesde aantasting van de cultuurhistorische waarden plaatsvindt in een gebied dat kan worden aangemerkt als de directe woon- en leefomgeving van eiser. In een dergelijk geval bestaat een zo nauwe verwevenheid tussen het belang van eiser bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving en het algemene belang dat aan de orde is bij de bescherming van cultuurhistorische waarden, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belang.

De woning van eiser is direct gelegen naast de woning van vergunninghouder. Niet valt in te zien dat er geen verwevenheid bestaat tussen de belangen van eiser bij een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving en het algemeen belang bij de bescherming van cultuurhistorische waarden als hierboven bedoeld. Dat betekent dat het relativiteitsvereiste op dit punt niet in de weg staat aan een eventuele vernietiging. Het betoog van het college slaagt dus niet.

Strijd met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels

8. Eiser betoogt dat het college ten onrechte de aanvraag niet mede heeft aangemerkt als een activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Daartoe voert eiser aan dat de serre en berging in strijd met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels worden gebouwd. Op grond van dat artikel mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd met uitzondering van het bepaalde onder i. De serre en berging vallen volgens eiser echter buiten het bouwvlak. De uitzondering genoemd onder artikel 14.2.2, onder i, van de planregels is volgens eiser niet van toepassing, omdat het perceel geen aanduiding “bijgebouwen” heeft. Ook kan artikel 26.3 van de planregels niet van toepassing zijn. Daarin is geregeld dat indien een bestaand bouwwerk krachtens de Wabo op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, maar buiten het bouwvlak is geplaatst, de bestaande locatie van het bouwwerk mag worden aangehouden als toelaatbaar. Herbouw van dergelijke bouwwerken mag uitsluitend plaatsvinden op dezelfde locatie. Volgens eiser ziet dit artikel gelet op artikel 1.19 van de planregels enkel op legale bebouwing. Daar is volgens eiser geen sprake van. De bestaande berging is illegaal, omdat deze (op of) na 2013 zonder de daartoe vereiste vergunning is gebouwd. Voorts is gelet op de strijdigheid met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels sprake van strijd met artikel 21.2.1, onder a, onder 1, van de planregels, omdat de serre en berging niet mogelijk zijn krachtens de onderliggende (woon)bestemming.

Niet in geschil is dat de serre en berging gelet op artikel 4a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) niet vergunningvrij zijn.

Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” geweigerd indien deze in strijd is met het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Het tweede lid bepaalt dat bij strijd met het bestemmingsplan de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het college de omgevingsvergunning verlenen voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”.

Naar het oordeel van de rechtbank voert eiser terecht aan dat het college de aanvraag gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo voor de serre en de berging mede had moeten aanmerken als een activiteit als bedoeld onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. De rechtbank volgt het betoog van eiser dat het bouwplan voor de serre en berging in strijd is met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels. Op grond van dit artikel mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Het college stelt voor het eerst op zitting dat de bijgebouwen (waaronder de serre en berging) binnen het bouwvlak vallen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en stelt aan de hand van de plankaart vast dat de serre en de berging buiten het bouwvlak liggen.

De rechtbank volgt het college eveneens niet in zijn standpunt dat bijbehorende bouwwerken (de serre en berging) conform de planregels in de bestemming “Wonen” gebouwd mogen worden, omdat in de planregels wordt verwezen naar de mogelijkheden van vergunningvrij bouwen. Het college verwijst naar artikel 14.1, onder p, van de planregels, maar dit artikellid ziet niet op bijbehorende bouwwerken terwijl de serre en berging volgens de planregels wel bijbehorende bouwwerken zijn. Verder volgt de rechtbank het betoog van eiser dat geen sprake is van de uitzondering zoals genoemd onder artikel 14.2.2, onder i, van de planregels, omdat het perceel niet de aanduiding “bijgebouwen” heeft. Niet gesteld of gebleken is dat er eerder een omgevingsvergunning is verleend voor de serre en de berging, zodat artikel 26.2 van de planregels niet van toepassing is. Voorgaande betekent dat er ook strijd is met artikel 21.2.1, onder a, onder 1, van de planregels, omdat de serre en berging (ook gelet op de hierboven besproken planregels 14.2.2 en 26.2) niet mogelijk zijn krachtens de onderliggende (woon)bestemming. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat het in strijd met artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo is genomen. Het college zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen en op grond van artikel 2.12 van de Wabo moeten afwegen of het een omgevingsvergunning wil verlenen voor zover het bouwplan in strijd is met de artikelen 14.2.2, onder b en 21.2.1, onder a, onder 1, van de planregels. Het college heeft op zitting reeds aangegeven bereid te zijn deze omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank zal om die reden ook ingaan op de overige gronden van eiser.

Strijd met artikel 21.2.1, onder a, onder 2, van de planregels

9. Eiser stelt dat er strijd is met artikel 21.2.1, onder a, onder 2, van de planregels, omdat er wezenlijke veranderingen worden aangebracht aan de kapvorm van de serre. De kap van woning (aan achterzijde) wordt veranderd van lessenaarskap naar een plat dak en de serre en berging worden verhoogd.

Artikel 21.2.1, onder a, onder 2, van de planregels luidt:

“Op de tot 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden, met daarop beschermde gemeentelijke monumenten, zoals aangeduid op de verbeelding, mag slechts worden gebouwd indien en voor zover zulks nodig is voor het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing, met dien verstande, dat geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige en architectonisch beeld, bepaald door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling, zulks met inbegrip van waardevolle details als erkers, dakkapellen, kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen.”

Ter beoordeling hiervan heeft het college zich laten adviseren door Stichting Dorp, Stad en Land en de Centrale Erfgoedcommissie. In het vooroverleg van 28 mei 2021 is door een deskundige van Stichting Dorp, Stad en Land getoetst aan de gebiedscriteria voor historische dijklinten zoals bedoeld in de Nota beeldkwaliteit 2017. De conclusie is dat de uitvoering passend is bij initiatieven in de buurt en ook bij het pand op zichzelf. De woonkwaliteit gaat er door de wijziging op vooruit. Het plan is daarom positief bevonden. Vervolgens is ten tijde van de aanvraag het bouwplan wederom besproken en is ambtelijk het volgende geadviseerd: “Het plan is conform het vooroverleg van 28 mei 2021 uitgewerkt, waarbij onze externe deskundige [naam 3] (Dorp, Stad en Land) aanwezig was.” Tijdens de bezwaarprocedure is door het college ook nog een advies van de Centrale Erfgoedcommissie overgelegd. In het advies is toegelicht dat het bouwplan voldoet aan artikel 21.2.1, onder a, onder 2, van de planregels. Het advies luidt als volgt: “De bestaande cultuurhistorische waarden worden niet aangetast. Het historische deel van het gemeentelijk monument wordt niet gewijzigd. De ingreep beperkt zich tot de niet-monumentale uitbouw aan de achterzijde. Met het verwijderen van de bestaande serre / uitbouw gaan geen bouwhistorische elementen verloren. De omvang van het nieuwe bouwdeel is niet groter dan het bestaande te verwijderen deel. De nieuwe aanbouw is een ondergeschikt volume dat redelijk abstract is vormgegeven in een helder volume met materiaalkeuze in glas en donkere houten latten. Volgens de commissie wordt voldaan aan de regels van het bestemmingsplan met betrekking tot Waarde - Beschermd dorpsgezicht. Er worden geen wezenlijke veranderingen aangebracht in het stedenbouwkundig en architectonisch beeld, bepaald door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling. Rekening wordt gehouden met de aangrenzende architectonische waarden en het stedenbouwkundig beeld. De ruimtelijke structurele samenhang van het Beschermd Dorpsgezicht wordt niet aangetast. De zichtbaarheid vanaf de rivier de IJssel is overigens beperkt door de diepe achtertuin.

Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het heeft nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1142).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de onder 9.2 beschreven adviezen aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt geen tegenadvies overgelegd. Ook heeft eiser onvoldoende aangevoerd en onderbouwd waarom aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop moet worden getwijfeld. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat er strijd is met artikel 21.2.1, onder a, onder 2, van de planregels. Het betoog slaagt niet.

Strijd met artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels

10. Ook is er volgens eiser strijd met artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels, nu het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken, te weten de serre, de berging én de bestaande zijaanbouw meer dan 30 m2 bedraagt. Het college heeft volgens eiser ten onrechte niet het oppervlak van de verdieping van de zijaanbouw meegerekend bij het totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken.

Artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels bepaalt dat voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning op de tot “Waarde – Beschermd dorpsgezicht” aangewezen gronden het bij de woning behorende achtererfgebied voor niet meer dan 50% bebouwd mag worden, met dien verstande dat het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 30 m2 mag bedragen.

Het college komt aan een totaal aan bijbehorende bouwwerken uit op 27,86 m2 (6,8 m2 bestaande zijaanbouw + 17 m2 serre + 8 m2 berging). Niet in geschil is dat de zijaanbouw een “bijbehorend bouwwerk” is in het achtererfgebied gebouwd tegen het hoofdgebouw, de woning. Eveneens is niet in geschil dat de zijaanbouw uit twee verdiepingen bestaat. Op grond van artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels moet het gaat om het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken. Hoewel in het bestemmingsplan geen definitie van het begrip “grondoppervlak” is opgenomen, kan aansluiting worden gezocht bij het begrip “bruto vloeroppervlak” (artikel 2.7 van de planregels). Het betoog slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel en willekeur

11. De rechtbank zal op het betoog van eiser dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur handelt, omdat hem – anders dan vergunninghouder – ten aanzien van de schuur in zijn achtertuin, artikel 14 van de planregels wél door het college wordt tegengeworpen, niet ingaan. De rechtbank heeft hiervoor immers al geoordeeld dat het bouwplan van vergunninghouder ook in strijd is met artikel 14 van de planregels.

Herhalen en inlassen bezwaargronden

12. De rechtbank merkt op dat de algemene verwijzing van eiser in het beroepschrift naar het door hem ingediende bezwaarschrift en de aanvulling hierop in het beroepschrift als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, voor zover hij daarbij geen redenen heeft aangevoerd op grond waarvan het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

13. Zoals hiervoor is overwogen onder 8.4 is het bestreden besluit in strijd met artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet, gelet op het verhandelde ter zitting, aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet het college afwegen of het op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo een omgevingsvergunning wil verlenen voor de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, voor zover er strijd is met de artikelen 14.2.2, onder b en 21.2.1, onder a, onder 1, van de planregels. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Indien het college deze omgevingsvergunning niet wil verlenen dan dient hij te overwegen om het primaire besluit te herroepen door de aanvraag af te wijzen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[…].

Artikel 7:1

1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:

[…].

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. […],

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…].

Artikel 2.2

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

1°. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of

2°. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,

[...],

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

[…];

de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

[…].

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

[…].

Bestemmingsplan Middelwatering

Artikel 1 Begrippen

achtererfgebied

Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw.

bestaand

met betrekking tot bebouwing:legale bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning;

met betrekking tot gebruik:het legale gebruik van grond en bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel toegestaan krachtens een omgevingsvergunning;

bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

hoofdgebouw

Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is (qua constructie, afmeting of functie).

Artikel 2 Wijze van meten

vloeroppervlakte

De oppervlakte van een ruimte of een groep van ruimten, gemeten op vloerniveau tussen de opgaande scheidingsconstructies die de betreffende ruimte(n) omhullen.

Artikel 14 Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen met aan-huis-gebonden beroepen, internethandel en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

[…].

Bouwregels

[…]

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

[…];

gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde onder i;

[…];

i. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' bedraagt het gezamenlijk te bebouwen oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ten hoogste 30 m2;

[…].

Artikel 21 Waarde - Beschermd dorpsgezicht

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande bebouwing, bouwwerken en onbebouwde gronden, zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang, die een beeld opleveren dat van algemeen belang is vanwege de schoonheid, de ruimtelijke en/of structurele samenhang, danwel haar stedenbouwkundige, architectonische, typologische of cultuurhistorische waarde.

bouwregels

Bouwbeperkingen

a. Op de tot 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden, met daarop beschermde gemeentelijke monumenten, zoals aangeduid op de verbeelding, mag slechts worden gebouwd indien en voor zover zulks nodig is voor het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing, met dien verstande, dat:

1. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming;

2. geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige en architectonisch beeld, bepaald door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling, zulks met inbegrip van waardevolle details als erkers, dakkapellen, kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen.

[…].

Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning op de tot 'Waarde – Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden gelden de volgende bepalingen:

a. het bij de woning behorende achtererfgebied mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd, met dien verstande dat het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 30 m2 mag bedragen.

[…];

Toegelaten bouwwerken op een afwijkende locatie

Voor een bestaand bouwwerk dat krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, maar buiten het bouwvlak is geplaatst, geldt dat de bestaande locatie van het bouwwerk mag worden aangehouden als toelaatbaar;

Herbouw van de onder a. bedoelde bouwwerken mag uitsluitend plaatsvinden op dezelfde locatie;

Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

Erfgoedverordening Capelle aan den IJssel 2018

Artikel 12. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument:

a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

b. […].

[…].

Artikel 18. Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning

[…].

5. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder toestemming van burgemeester en wethouders aanpassingen aan het bouwwerk te doen danwel bouwwerken te realiseren die het beschermde aangezicht ontsieren.

6. […].

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.J.R. Lautenbach

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?