RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7017
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam 1] ).
1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde maatregel in het kader van haar Ziektewet (ZW-)uitkering. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroepen ingesteld.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Met het primaire besluit van 9 december 2024 heeft het UWV aan eiseres een maatregel opgelegd en haar ZW-uitkering met 10% verlaagd van 4 november 2024 tot en met 4 januari 2025. Met het bestreden besluit van 14 april 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
5. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. Op 20 november 2025 heeft eiseres nadere gronden van beroep ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig behandeld met twee andere beroepen van eiseres tegen het UWV op 1 december 2025 in het kader van de pilot Wijkrechtspraak op Zuid op de locatie ‘ [locatie 1] ’ aan de [straatnaam] in [locatie 2] . Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en namens het UWV [naam 2] .
8. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen om uiterlijk 23 december 2025 te reageren op het aanvullend beroepschrift van 20 november 2025.
9. Op 23 december 2025 heeft het UWV om uitstel verzocht. De rechtbank heeft op 30 december 2025 uitstel verleend tot 13 januari 2026.
10. Op 22 januari 2026 heeft het UWV om uitstel verzocht. De rechtbank heeft het UWV op 29 januari 2026 verzocht om uiterlijk 12 februari 2026 alsnog te reageren.
11. Op 12 februari 2026 heeft het UWV schriftelijk gereageerd.
12. Op 1 maart 2026 heeft eiseres een schriftelijke reactie ingediend.
13. Nadat geen van partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 10 april 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er gebeurd?
14. Eiseres is op 10 juli 2023 ziekgemeld bij [bedrijf] (de ex-werkgever). Vanaf 6 september 2023 ontvangt eiseres een ZW-uitkering en zij werd in het kader van deze uitkering opgeroepen voor een spreekuur bij de bedrijfsarts. Dit stond gepland op 4 november 2024. Het UWV heeft van de ex-werkgever doorgekregen dat eiseres niet op het spreekuur is gekomen en hiervoor geen (geldige) reden heeft gegeven. Als eiseres niet kan komen, moet zij dat minimaal 24 uur van tevoren doorgeven. Omdat eiseres met het niet verschijnen een verplichting op grond van de ZW heeft geschonden, heeft het UWV met het primaire besluit een maatregel opgelegd. In het bestreden besluit heeft het UWV toegelicht dat uit informatie van de arbodienst ( [naam 3] ) is gebleken dat eiseres niet is verschenen en geen bericht van verhindering heeft ingediend. Niet wordt ingezien waarom de informatie van [naam 3] in twijfel moet worden getrokken. Eiseres was op de hoogte van de afspraak. Het is niet duidelijk geworden waarom het mis is gegaan. Met het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres dan ook ongegrond verklaard en de maatregel in stand gelaten. De ZW-uitkering van eiseres is daardoor met 10% verlaagd voor de periode van 4 november 2024 tot en met 4 januari 2025.
Waar gaat het in deze zaak om?
15. Vast staat dat eiseres op 4 november 2024 niet op het spreekuur van de bedrijfsarts is verschenen. De vraag ligt voor of eiseres verwijtbaar heeft gehandeld door niet op het spreekuur te verschijnen en of daarom een maatregel mocht worden opgelegd. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
16. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij zich tijdig heeft afgemeld voor het spreekuur. In beroep heeft eiseres twee e-mailberichten overgelegd, namelijk van 2 en 4 november 2024. Eiseres heeft op zaterdag 2 november 2024 [naam 4] , bedrijfsarts, een e-mailbericht gestuurd:
“U heeft een afspraak ingepland met een arts via de nieuwe arts zonder dat ik een arts keuze heb gemaakt. Ik ging er vanuit dat het niet om een second opinion, maar een update ging ivm mijn tweede ongeval.
Ik vind het lastig om een second opinion te doen wat heel belangrijk is, bij een arts die ik niet heb uitgekozen. Ik vraag aan U of deze afspraak on hold gezet kan worden en of U contact met mij kan opnemen voor een oplossing, want ik voel me echt niet comfortabel bij deze afspraak”.
Op maandag 4 november 2025 heeft de bedrijfsarts gereageerd en aangegeven dat dit bericht helder is, dat de afspraak van 4 november 2025 wordt geannuleerd en dat een nieuwe afspraak zal worden gepland. Tijdens de zitting is onbetwist gesteld dat eiseres zich tijdig heeft afgemeld voor het spreekuur met de bedrijfsarts. Ook is in het e-mailbericht van 2 november 2024 een reden gegeven voor het annuleren van de afspraak. In de schriftelijke reactie van 12 februari 2026 heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat eiseres met het e-mailbericht van 2 november 2024 erg laat op de afspraak heeft gereageerd en dat het e-mailbericht waarschijnlijk niet eerder dan op 4 november 2024 is gelezen. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is voor de conclusie dat eiseres een verwijt kan worden gemaakt, omdat in het primaire besluit staat vermeld dat uiterlijk 24 uur van tevoren dient te worden afgemeld. Dit besluit werd gehandhaafd met het bestreden besluit. Ook is dit onvoldoende voor de conclusie dat door eiseres geen geldige reden voor het afmelden is gegeven. Met de overgelegde e-mailberichten heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij zich tijdig en met een geldige reden had afgemeld, dan wel dat zij in ieder geval ervan uit mocht gaan dat dit een geldige afmelding was gelet op de verdere communicatie met de arbodienst. Daarmee kan eiseres geen verwijt worden gemaakt. Het UWV had nader onderzoek moeten doen naar de reden van het annuleren van de afspraak, mede gelet op het advies dat de arbodienst aan de casemanager gaf in het no-showbericht van 4 november 2024. Daarin werd namelijk geadviseerd om de reden van de no show en eventueel de rechten/plichten vanuit wetgeving te bespreken. Het bestreden besluit bevat daarmee een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
Conclusie en gevolgen
17. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat dit besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Gelet op het voorgaande bestaat geen grondslag meer voor de maatregel. De rechtbank zal daarom zelf voorzien in de zaak, het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Concreet betekent dit voor eiseres dat de verlaging van haar ZW-uitkering (met 10% van 4 november 2024 tot en met 4 januari 2025) wordt teruggedraaid.
18. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook moet het UWV de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- bepaalt dat het UWV de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Ziektewet
Artikel 45
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend:
(…)
c. indien de verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek, ingevolge deze wet gedaan door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om te verschijnen of indien het geneeskundig onderzoek door een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen deskundige door toedoen van de verzekerde niet kan plaatshebben;
(…)
Artikel 63a
1. De eigenrisicodrager verricht met betrekking tot de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van deze wet inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten op grond van artikel 45a en besluiten op grond van bezwaar of beroep. De eigenrisicodrager begeleidt de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, bij gebleken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. Bij de uitvoering van het eerste lid treedt de eigenrisicodrager voor de toepassing van de artikelen 28, eerste lid, 29g, tweede lid, 30, derde lid, 37, eerste lid, en 39, eerste en tweede lid, in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De eerste zin blijft buiten toepassing voorzover noodzakelijk voor het verrichten van werkzaamheden op grond van het vierde of vijfde lid door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
(…)
Artikel 63c
1. De eigenrisicodrager laat zich ter zake van de begeleiding bij gebleken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van de personen, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, tweede zin, bijstaan door een bedrijfsarts of arbodienst. Hetgeen bij of krachtens de artikelen 14, tweede, vierde tot en met elfde, en vijftiende lid, 14a, 16, eerste lid, tweede lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald met betrekking tot de bedrijfsarts of arbodienst is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «werkgever» wordt gelezen «de eigenrisicodrager» en voor «werknemer» «de persoon, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, tweede zin, van de Ziektewet» en dat de verplichting tot schriftelijke vastlegging door of vanwege een overeenkomst, bedoeld in artikel 14, vierde en vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, slechts betrekking heeft op de taak, bedoeld in de eerste zin.
(…)
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2. Hoogte en duur van een maatregel
1. De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met n, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op:
(…)
b. 10 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 5 procent of ten hoogste 30 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste twee maanden bij verplichtingen uit de tweede categorie, bedoeld in artikel 4;
(…)
Artikel 4. Tweede categorie
De verplichtingen op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met h, j, k, l en m, genoemde wetten, worden ingedeeld in de tweede categorie voor zover zij betrekking hebben op:
(…)
c. het voldoen aan elke oproep om aanwezig te zijn of het beantwoorden van vragen die door de SVB of het UWV in verband met het recht op uitkering worden gesteld, bedoeld in de artikelen 45, eerste lid, onderdeel c, van de ZW, 25 van de WAO, 27, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet WIA, 45 van de WAZ, 2:7, tweede lid, onderdelen a en b, vierde lid, en 3:37 van de Wajong, 15, eerste en tweede lid, van de AOW, 36, eerste en tweede lid, van de Anw, 16, eerste en tweede lid, van de AKW en 12, tweede lid, onderdelen a en b, van de IOW;
(…)