RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster,
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/3436
(gemachtigde: mr.drs. E.C. Spiering),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [naam 1] ).
De rechtbank wijst het verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af. Dat verzoekster ervoor heeft gekozen geen onderzoek/navraag te doen naar een mogelijke aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 29b van de Ziektewet (ZW), de zogeheten no-riskpolis, dient voor haar rekening en risico te blijven.
Procesverloop
Met het besluit van 15 februari 2024 heeft het UWV het verzoek van verzoekster tot schadevergoeding afgewezen. Uit coulance heeft het UWV een bedrag van € 1.600,- betaald.
Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoek tot schadevergoeding ingediend.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het verzoek tot schadevergoeding op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster [naam 2] (directeur), de gemachtigde van verzoekster en mr. M. Reitsma als gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming besluitvorming
Verzoekster is een uitzendorganisatie. Zij is eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de ZW. Op 19 november 2020 is [naam 3] (hierna: ex-werkneemster) bij haar in dienst getreden. De ex-werkneemster is op 23 april 2021 arbeidsongeschikt uitgevallen. Verzoekster heeft op grond van artikel 63a van de ZW het loon aan de ex-werkneemster conform de cao-afspraken doorbetaald en verzuimbegeleiding verricht.
Eind mei 2022 heeft de arbo-dienst van verzoekster arbeidsdeskundig onderzoek ingesteld. Bij dat onderzoek is gebleken dat de ex-werkneemster tussen 2018 en 2020 de WIA-wachttijd reeds had volgemaakt en dat haar aansluitend op die wachttijd een WIA-uitkering was geweigerd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Verzoekster heeft bij brief van 10 juni 2022 het UWV gewezen op de no-riskstatus van de ex-werkneemster.
Met het besluit van 29 juni 2022 heeft het UWV aan de ex-werkneemster vanaf
23 april 2021 een ZW-uitkering toegekend, omdat zij voldoet aan de voorwaarden voor een no-riskpolis. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 17 mei 2023 is dat bezwaar door het UWV kennelijk ongegrond verklaard, omdat het UWV bij een ziekteaangifte niet ambtshalve onderzoekt of er een rechtsgrond van toepassing is die gunstiger is voor de (ex-)werknemer dan wel de eigenrisicodragende werkgever en verzoekster (pas) met de brief van 10 juni 2022 een nieuwe aanvraag heeft gedaan op basis van de no-riskpolis van haar (ex-)werkneemster. Verzoekster heeft tegen het besluit van 17 mei 2023 geen beroep ingesteld.
Verzoekster heeft vervolgens een verzoek tot schadevergoeding bij het UWV ingediend, waarop het UWV met het besluit van 15 februari 2024 heeft beslist.
Verzoek tot schadevergoeding
Verzoekster heeft de rechtbank op grond van artikel 8:88 van de Awb verzocht om de door haar geleden schade te vergoeden. Ter zitting heeft verzoekster nader toegelicht dat het gaat om de in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bedoelde geleden schade als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit, aangezien het UWV niet tijdig het toekenningsbesluit van 29 juni 2022 heeft genomen en verzoekster daardoor schade heeft geleden.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat niet zij, maar het UWV vanaf de ziekmelding op 28 april 2021 verantwoordelijk was voor zowel de re-integratie en begeleiding, als de betaling van ziekengeld aan de ex-werkneemster. Volgens verzoekster had het UWV, conform het eigen beleid, moeten onderkennen of onderzoeken, welke rechtsgrond aan de aanspraak op ziekengeld ten grondslag lag. Verzoekster, die tot medio 2022 niet beter wist en ook niet beter kon weten dan dat zij gehouden was het ziekengeld uit te keren, wijt de schade die daardoor is ontstaan dan ook aan het UWV en verzoekt veroordeling van het UWV tot betaling aan haar van het door haar betaalde ziekengeld tot een bedrag van € 7.434,42 (€ 13.860,98 verminderd met het door het UWV reeds (terug)betaalde bedrag van € 6.426,56) en € 5.113,- aan re-integratiekosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de genoemde bedragen.
Beoordeling door de rechtbank
Het UWV heeft aangevoerd dat het aan verzoekster was om een ziekmelding op grond van een no-riskpolis bij het UWV te doen en dat verzoekster op grond van artikel 38b van de ZW daarover informatie van de (ex-)werkneemster had kunnen krijgen, of, middels een formulier “verzoeken informatie no-riskpolis en compensatieregeling (ex-)werknemer”, van het UWV. Anders dan verzoekster, ziet de rechtbank niet in waarom artikel 38b van de ZW in haar geval niet van toepassing is. Artikel 38b, tweede lid, van de ZW verwijst immers naar artikel 38a van de ZW, dat samen met artikel 38 van de ZW onverkort van toepassing is op een eigenrisicodrager in de zin van artikel 63a van de ZW. Het door verzoekster als ander en exclusief spoor aangemerkte artikel 38aa van de ZW is geen ander spoor, maar houdt slechts de verruiming in van in de artikelen 38 en 38a van de ZW bedoelde termijnen. Dat verzoekster er na de ziekmelding in april 2021 voor heeft gekozen geen navraag te doen naar een mogelijke aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 29b van de ZW, dient daarom naar vaste rechtspraak voor haar rekening en risico te komen.
Verzoekster heeft ook betoogd dat artikel 38b van de ZW er niet aan in de weg staat dat het UWV op grond van zijn eigen beleid gehouden was naar aanleiding van de ziekmelding op 23 april 2021 nader onderzoek te doen en in het bijzonder om te onderzoeken of sprake was van een no-riskpolis. Het UWV heeft betoogd dat verzoekster het beleid verkeerd leest, omdat dat ziet op de situatie dat een ziekteaangifte onduidelijk is. De rechtbank kan het UWV hierin volgen. Het beleid vangt aan: ‘Uitgangspunt voor het proces bij UWV is dat de van toepassing zijnde rechtsgrond uit de ziekteaangifte moet blijken. UWV onderzoekt niet ambtshalve of er een rechtsgrond van toepassing is die gunstiger is voor de werknemer danwel de werkgever ERD ZW.’ Aldus is klip en klaar dat er volgens het beleid geen ambtshalve onderzoek wordt gedaan naar een voor enige partij gunstigere rechtsgrond.
In het vervolg van het betreffende beleid wordt, in kennelijke aansluiting op artikel 38b, tweede lid, van de ZW, de situatie onder ogen gezien dat een werkgever al eerder een ziekteaangifte heeft gedaan en hij pas later een claim doet voor ziekengeld wegens een no-riskpolis. In dat geval wordt volgens het beleid het ziekengeld met maximaal een jaar terugwerkende kracht toegekend vanaf de datum van de eerste ziekteaangifte. Ook hieruit blijkt dat het beleid ervan uitgaat dat een werkgever later kan ontdekken dat sprake is van een no-riskpolis en daarvan dan ook pas later melding kan maken bij het UWV. Tevens blijkt hieruit opnieuw dat het beleid niet uitgaat van een ambtshalve onderzoek door het UWV.
Verzoekster heeft op 28 april 2021 haar ex-werkneemster ziek gemeld en hierbij niet aangegeven dat sprake was van een no-riskpolis. Uit het voorgaande volgt dat het UWV, nu de ziekmelding niet onduidelijk was, niet gehouden was te onderzoeken of er een no-riskpolis van toepassing was. Nadat verzoekster bij brief van 10 juni 2022 een nieuwe aanvraag voor ziekengeld had gedaan op grond van een no-riskpolis, heeft het UWV met het besluit van 29 juni 2022 conform zijn beleid per de datum van de eerste ziekmelding (23 april 2021) een ZW-uitkering aan de ex-werkneemster toegekend, omdat zij voldoet aan de voorwaarden van een no-riskpolis. Aldus kan niet worden geoordeeld dat het UWV niet tijdig heeft besloten op een verzoek om uitkering op grond van een no-riskpolis, zodat geen sprake kan zijn van op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb te vergoeden schade als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek tot schadevergoeding moet worden afgewezen. Er is geen grond om het UWV het griffierecht of proceskosten van verzoekster te laten vergoeden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.