ECLI:NL:RBROT:2026:784

ECLI:NL:RBROT:2026:784

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer C/10/681451 / JE RK 24-1279, C/10/706859 / JE RK 25-1921 en C/10/713237 / JE RK 26-67
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beschikking van de meervoudige kamer over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verzoek om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Meervoudige kamer

Zaaknummers: C/10/681451 / JE RK 24-1279, C/10/706859 / JE RK 25-1921 en C/10/713237 / JE RK 26-67

Datum uitspraak: 29 januari 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verzoek om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen

in de zaken van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. T. Erdal, kantoorhoudende in Rotterdam,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. S. Kandemir, kantoorhoudende in Dordrecht.

In de raadgevende en/of adviserende rol op grond van artikel 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Rotterdam.

1. Het (verdere) verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

ten aanzien van C/10/681451 / JE RK 24-1279 en C/10/706859 / JE RK 25-1921

de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 10 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

de briefrapportage met bijlagen van de GI van 6 januari 2026;

de brief met bijlagen van mr. T. Erdal van 12 januari 2026;

de brief met bijlagen van mr. T. Erdal van 14 januari 2026;

ten aanzien van C/10/713237 / JE RK 26-67

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 6 januari 2026;

ten aanzien van C/10/681451 / JE RK 24-1279, C/10/706859 / JE RK 25-1921 en C/10/713237 / JE RK 26-67

- de verklaring van de vader, die door zijn advocaat ter zitting is overgelegd.

Op 16 januari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet, althans gehouden. Daarbij waren aanwezig:

- de advocaat van de vader;

- de moeder en haar advocaat;

twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 1] en [naam 2];

een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 3].

Bijzondere toegang is verleend aan [naam 4], als stagiaire werkzaam op het kantoor van mr. T. Erdal.

De vader is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

[minderjarige] woont bij de moeder.

Bij beschikking van 13 december 2023 heeft de familierechter in deze rechtbank de regeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt gewijzigd, in die zin dat de regeling tussen de vader en [minderjarige] als volgt is vastgesteld:

- iedere week op zondag gedurende vier achtereenvolgende uren, welke regeling in samenwerking met de GI kan worden uitgebreid naar iedere week op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur;

- gedurende de vakanties loopt voornoemde regeling door behoudens vakantieplannen van de vrouw. Indien de vrouw vakantieplannen heeft, dient in samenwerking met de GI gezocht te worden naar een ander vervangend contactmoment tussen de man en de minderjarige;

- de feestdagen worden in samenwerking met de GI evenredig tussen partijen verdeeld, waarbij het aantal uren dat de minderjarige bij de man verblijft in overeenstemming is met de zorgregeling;

- tijdens de verjaardag van de man voor de duur in overeenstemming met de zorgregeling;

- tijdens de verjaardag van de vrouw verblijft de minderjarige bij de vrouw;

- tijdens de verjaardag van de minderjarige verblijft de minderjarige om en om bij de ouders (bij de man voor de duur in overeenstemming met de zorgregeling).

Bij beschikking van 7 april 2025 heeft de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt voorlopig gewijzigd:

De huidige zorgregeling, waarin [minderjarige] iedere zondag gedurende vier uur onbegeleid bij zijn vader verblijft wordt vooralsnog voortgezet. Zodra de GI Jeugdprofs of een andere daartoe geschikte soortgelijke hulpverleningsorganisatie bereid heeft gevonden om drie contactmomenten, of zoveel meer als zij nodig achten, tussen [minderjarige] en de vader op een doordeweekse dag te begeleiden, zal dit worden uitgevoerd. Op het moment dat het benodigde aantal doordeweekse begeleide contactmomenten heeft plaatsgevonden zal [minderjarige] weer iedere zondag gedurende vier uren onbegeleid bij de vader verblijven, welke uren in samenwerking met de GI kunnen worden uitgebreid naar iedere week op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur. De beslissing is voor het overig verzochte aangehouden.

Bij beschikking van 10 november 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 mei 2026, is de voorlopige gewijzigde regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals neergelegd in de beschikking van 7 april 2025 gehandhaafd en is

de behandeling van de verzoeken voor het overige aangehouden en voor beslissing en behandeling verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer op 16 januari 2026.

Op 11 december 2025 heeft de GI de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven inhoudende: meewerken aan 3 begeleide omgangsmomenten die doordeweeks plaatsvinden, alvorens de zitting van 16 januari 2026.

3. De (aangehouden) verzoeken

Zaaknummer C/10/681451 /JE RK 24-1279

Op 29 mei 2024 verzoekt de GI om op grond van artikel 1:265g lid 1 BW de verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt te wijzigen:

Bezoek onder begeleiding van hulpverlening, 4 uur per week en op een doordeweekse dag. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Op 19 augustus 2024 verzoekt de vader bij zelfstandig verzoek in het verweerschrift om een zorg- en contactregeling vast te stellen tussen de man en het minderjarige kind van partijen, inhoudende dat [minderjarige] bij de man verblijft:

- De eerste drie maanden:

o Iedere zondag van 10:00 uur – 19:00 uur;

- Na drie maanden:

o De ene week van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur;

o De andere week op zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur;

o De helft van de zomervakantie;

o De overige vakanties in onderling overleg.

Zaaknummer C/10/706859 / JE RK 25-1921

Op 11 september 2025 verzoekt de GI de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er dient nog te worden beslist over de resterende periode tot 29 november 2026.

Zaaknummer C/10/713237 / JE RK 26-67

Op 6 januari 2026 verzoekt de GI op grond van artikel 1:263 lid 3 BW de gegeven schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.

4. De standpunten

De GI heeft ter zitting de (aangehouden) verzoeken gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. [minderjarige] laat volgens de moeder zorgelijk gedrag zien na de onbegeleide omgang met zijn vader op zondag. Uit het bij [minderjarige] afgenomen onderzoek blijkt dat hij meer dan een gemiddeld kind voorspelbaarheid nodig heeft en dat de opvoedsituaties van de moeder en de vader op elkaar afgestemd moeten zijn. Er is echter geen zicht op de situatie bij de vader. Het is goed mogelijk dat de vader bij de omgang met [minderjarige] ondersteuning nodig heeft vanwege de kind-eigen problematiek van [minderjarige]. In de afgelopen periode zou Sensa Zorg de omgang tussen [minderjarige] en de vader enkele malen gaan begeleiden, zoals is bepaald bij de beschikking van 7 april 2025. Daarbij was voor de vader een Turks sprekende omgangsbegeleider beschikbaar. De GI heeft tevergeefs geprobeerd om met de vader in contact te komen om drie begeleide omgangsmomenten met hem af te spreken. De vader heeft slechts één keer gereageerd naar de GI toe en daarbij aangegeven dat hij niet beschikbaar is op doordeweekse dagen. Het is daardoor niet gelukt om een afspraak met hem te plannen. Daarom heeft de GI aan de vader een Schriftelijke Aanwijzing (SA) gegeven. Sindsdien heeft de GI geen contact meer met de vader gehad. Sensa Zorg is nog steeds bereid om de omgang te begeleiden. Het is van belang dat de vader gaat meewerken zodat er zicht komt op de omgang tussen de vader en [minderjarige].

Namens de vader heeft zijn advocaat ter zitting het volgende aangevoerd. De vader verzet zich tegen een wijziging van de huidige omgangsregeling en persisteert bij het zelfstandige verzoek. Betwist wordt dat [minderjarige] zorgelijk en ontregeld gedrag vertoont na de omgang met de vader. [minderjarige] heeft altijd al problematisch gedrag laten zien. Deze problematiek is niet aan de vader te wijten. De GI heeft het verzoek om de omgang te beperken onvoldoende onderbouwd. Al twee jaren verloopt de onbegeleide omgang elke zondag gedurende vier uur tussen [minderjarige] en de vader perfect. Dat [minderjarige] een beperking heeft, betekent dat niet dat hij geen omgang met de vader mag hebben.

De advocaat heeft de vader er niet toe kunnen bewegen om mee te werken aan begeleide omgang. De vader vindt begeleiding van de omgang niet nodig. De omgang tussen [minderjarige] en de vader is al door Coach Point geobserveerd. De vader heeft tot op heden aan hulpverlening meegewerkt. Volgens de vader wordt hem onrecht aangedaan en wordt er teveel naar de moeder geluisterd. Er is sprake van ouderverstoting. De vader heeft geen vertrouwen in de moeder en de hulpverlenende instanties. Daarom is hij vandaag ook niet ter zitting verschenen. Er is nooit iets gedaan om de communicatie tussen de ouders te verbeteren.

Namens en door de moeder is ter zitting het volgende aangevoerd. De omgang en de overdrachtsmomenten zijn voor de moeder enorm belastend en veroorzaken spanningen bij [minderjarige] en de moeder. De vader kan zijn emoties en wrok naar de moeder en de instanties niet opzij zetten. Zo kleineert en treitert de vader de moeder tijdens de overdrachtsmomenten. Er is niemand in het netwerk bereid om de overdracht op zich te nemen als gevolg van de bedreigingen door de vader in het verleden. Na de omgang met de vader heeft de moeder haar handen vol aan het gedrag van [minderjarige]. De moeder durft niet over haar problemen te spreken, omdat getwijfeld zou kunnen worden aan haar opvoedcapaciteiten en beschikbaarheid. De vader (h)erkent de kind-eigen problematiek van [minderjarige] niet. De vader wijst continu naar de instanties, werkt niet mee aan begeleide omgang en is niet bereid om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren. Zolang de vader niet meewerkt, is omgang niet in het belang van [minderjarige]. De moeder wil echter geen verzoek doen om de omgang te stoppen omdat zij dan beschuldigd zal worden van ouderverstoting. De rechtbank zou dit wel ambtshalve kunnen doen.

De Raad heeft ter zitting het volgende meegedeeld. De ouders kunnen niet samenwerken. [minderjarige] heeft door zijn kind-eigen problematiek een grotere zorgbehoefte dan het gemiddelde kind. Aan de vader is veel aangeboden en informatie verstrekt. De vader wil niet meewerken. Het is de vraag wat dit momenteel en in de toekomst gaat betekenen voor [minderjarige].

5. De beoordeling

Ten aanzien van C/10/706859 / JE RK 25-1921

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De rechtbank legt hieronder uit waarom.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De ouders hebben al jaren een complexe ouderrelatie met elkaar. [minderjarige] wordt hiermee belast. De ouders hebben geen vertrouwen in elkaar en zitten niet op één lijn in de opvoeding van [minderjarige]. De moeder geeft aan dat [minderjarige] voor en na de contactmomenten met de vader zorgelijk en ontregeld gedrag vertoont, waarop de vader stelt dat de moeder dit verzint. De moeder stelt op haar beurt dat de vader er alles aan doet om haar te treiteren en uit balans te brengen. De vader toont zich boos en afwerend en de moeder toont zich emotioneel en overbelast. Het kan niet anders dan dat het voorgaande zijn weerslag heeft op [minderjarige], zeker nu [minderjarige] forse kind-eigen problematiek heeft. Uit het namens de moeder overgelegde conceptverslag van ASVZ van 30 december 2025 blijkt dat bij [minderjarige] sprake is van een laag ontwikkelingsniveau ten opzichte van zijn leeftijdsgenoten en dat hij vanwege zijn emotionele ontwikkelingsniveau baat heeft bij een positieve begeleidingswijze en het bieden van duidelijkheid en structuur. [minderjarige] heeft de nabijheid van belangrijke anderen nodig om tot handelen te kunnen komen. Eerder is bij [minderjarige] ook een autismespectrumstoornis en een posttraumatische-stressstoornis vastgesteld.

Gelet op al het voorgaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Daarom is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De ouders hebben ook geen bezwaar tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de resterende verzochte duur, te weten tot 29 november 2026.

Ten aanzien van C/10/681451 / JE RK 24-1279

Op grond van artikel 1:265g eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Op 29 mei 2024 heeft de GI vanwege de zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de vader verzocht om de bij beschikking van 13 december 2023 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen. De moeder heeft bij de GI aangegeven dat de vader vaak te laat komt of [minderjarige] te laat terugbrengt, de moeder uitscheldt en bedreigt in aanwezigheid van [minderjarige] en dat [minderjarige] vaak overstuur met een volle luier en hongerig thuis komt. Vervolgens zijn door de GI veiligheidsafspraken gemaakt. De jeugdbeschermer heeft hierover tevergeefs geprobeerd om het gesprek met de vader aan te gaan. De vader heeft met name weerstand laten zien en de zorgen ontkend en bestreden. De kinderrechter heeft bij beschikking van 7 april 2025, welke is gehandhaafd bij beschikking van 10 november 2025, als voorlopige regeling bepaald dat er enkele contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] begeleid zullen plaatsvinden om in kaart te brengen hoe deze verlopen. Totdat deze konden plaatsvinden - en nadat deze zouden zijn afgerond - bleef de vader op zondag onbegeleid contact hebben met [minderjarige].

In lijn met voornoemde beschikkingen heeft de GI in de afgelopen periode diverse organisaties benaderd en Sensa Zorg bereid gevonden om het contact tussen [minderjarige] en zijn vader op drie doordeweekse dagen te begeleiden om zicht te krijgen op de interactie tussen de vader en [minderjarige] en om te kunnen beoordelen in hoeverre hij aansluit bij het ontwikkelingsniveau en de specifieke behoeften van [minderjarige]. De GI heeft vervolgens geprobeerd om met de vader afspraken voor drie begeleide contactmomenten te maken. Op 25 november 2025 heeft de jeugdbeschermer de vader gemaild met de vraag op welke doordeweekse dag hij daarvoor beschikbaar is. De vader heeft daar niet op gereageerd. Nadat de jeugdbeschermer de vader nog een keer mailde met het verzoek om te reageren, antwoordde de vader op 3 december 2025 dat hij doordeweeks niet beschikbaar is. Op diezelfde datum heeft de GI een vooraankondiging SA aan de vader gestuurd en op 11 december 2025 een SA aan de vader gestuurd inhoudende meewerken aan drie begeleide omgangsmomenten die doordeweeks plaatsvinden. De vader heeft aan de SA geen gevolg gegeven.

De rechtbank is gezien de kind-eigen problematiek en de zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de vader van oordeel dat het noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] is dat er door middel van begeleiding van Sensa Zorg zicht komt op het verloop van het contact tussen [minderjarige] en de vader en dat duidelijk wordt of de vader al dan niet in staat is aan te sluiten bij hetgeen [minderjarige] vanwege zijn problematiek nodig heeft en of hij daarbij ondersteuning nodig heeft. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vader moeite lijkt te hebben om de kind-eigenproblematiek van [minderjarige] te (h)erkennen. De vader stelt dat het goed gaat met [minderjarige] als hij bij hem is, zij leuke activiteiten met elkaar ondernemen en zich daarbij geen enkel probleem voordoet. Dit lijkt gelet op de forse problematiek van [minderjarige] zoals hiervoor omschreven niet goed voorstelbaar. Begeleid contact is vooralsnog ook van belang om voor [minderjarige] de onrust en spanningen tijdens de overdrachtsmomenten weg te nemen.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de voorlopige gewijzigde regeling wordt gewijzigd in een nieuwe voorlopige regeling in die zin dat het onbegeleide contact tussen [minderjarige] en de vader op zondag wordt beëindigd en wordt omgezet in begeleid contact tussen [minderjarige] en de vader op een doordeweekse dag gedurende 4 uur per week. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting zijn er naar het oordeel van de rechtbank momenteel onvoldoende aanknopingspunten om het contact tussen [minderjarige] en de vader te stoppen. De rechtbank verwacht van de vader dat hij gaat meewerken aan de gewijzigde voorlopige regeling, omdat dit voor [minderjarige] gezien zijn kind-eigen problematiek en specifieke behoeften van groot belang is. Naar aanleiding van de bevindingen van Sensa Zorg kan worden bezien welke definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van [minderjarige] is, op welke dag hij bij de vader is en of daar begeleiding bij nodig is. De rechtbank houdt het verzoek van de GI voor het overig verzochte en het zelfstandige verzoek van de vader pro forma aan tot 1 april 2026.

De rechtbank verzoekt de GI uiterlijk een week voor de genoemde datum de rechtbank (met afschrift aan de belanghebbenden en de advocaten) in een briefrapportage te informeren over het verloop van het begeleide contact tussen [minderjarige] en de vader en gemotiveerd aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd, dan wel of er andere processuele wensen zijn.

Ten aanzien van C/10/713237 / JE RK 26-67

Nu de rechtbank gelet op al het voorgaande een nieuwe voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft vastgesteld, heeft bekrachtiging van de SA geen meerwaarde meer. Daarom zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.

De rechtbank verklaart de beslissingen met zaaknummers C/10/706859 / JE RK 25-1921 en C/10/681451 / JE RK 24-1279 uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van C/10/706859 / JE RK 25-1921

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 29 november 2026;

Ten aanzien van C/10/681451 / JE RK 24-1279

wijzigt de voorlopige gewijzigde regeling in een nieuwe voorlopige regeling in die zin dat het onbegeleide contact tussen [minderjarige] en de vader op zondag wordt beëindigd en dat voortaan begeleid contact tussen [minderjarige] en de vader zal plaatsvinden op een doordeweekse dag gedurende 4 uur per week;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Ten aanzien van C/10/713237 / JE RK 26-67

wijst af het verzoek tot bekrachtiging van de op 11 december 2025 gegeven schriftelijke aanwijzing;

Ten aanzien van C/10/681451 / JE RK 24-1279

houdt de behandeling van het verzoek van de GI voor het overig verzochte, en het zelfstandige verzoek, van de vader aan;

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 april 2026 pro forma.

Bepaalt dat de GI, de belanghebbenden en de advocaten op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen.

Verzoekt de GI uiterlijk een week voor de genoemde datum de rechtbank de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift aan de belanghebbenden en de advocaten.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L Pöll, mr. G.M. Paling en mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?