ECLI:NL:RBROT:2026:8218

ECLI:NL:RBROT:2026:8218

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 10-07-2026
Datum publicatie 08-07-2026
Zaaknummer ROT 25/3733
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De rechtbank komt tot het oordeel dat het UWV terecht aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft toegekend naar een mate van 72,17%. Het UWV heeft voldoende rekening gehouden met de beperkingen van eiser. Het beroep is daarom ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/3733

(gemachtigde: mr. I. Amghar),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,

(gemachtigde: mr. N.J.E. Pappot).

De rechtbank komt tot het oordeel dat het UWV terecht aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft toegekend naar een mate van 72,17%. Het UWV heeft voldoende rekening gehouden met de beperkingen van eiser. Het beroep is daarom ongegrond.

Procesverloop

Met het besluit van 20 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiser vanaf 29 april 2022 een WIA-uitkering toegekend.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Nadat een beslissing op het bezwaar tegen het primaire besluit uitbleef, heeft eiser op 5 mei 2025 beroep ingesteld wegens het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Met het besluit van 31 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd en gronden tegen het bestreden besluit ingediend.

Het UWV heeft op het beroep tegen het bestreden besluit gereageerd met een verweerschrift.

Eiser heeft op 23 februari 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als installatiemonteur. Op 24 november 2015 heeft hij zich ziek gemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Per einde wachttijd is eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt bevonden. Eiser heeft daarna zijn werkzaamheden bij dezelfde werkgever in hoedanigheid als servicemonteur hervat. Hij heeft zich op 29 april 2022 opnieuw ziekgemeld bij zijn werkgever.

3. Op 23 januari 2024 heeft eiser bij het UWV een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag als ziekmelding met toegenomen klachten in behandeling genomen. In het kader van de beoordeling van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiser op 22 mei 2024 op het spreekuur gezien en heeft op 24 mei 2024 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 29 april 2022. In de FML zijn beperkingen in alle rubrieken opgenomen. Op basis van de ontvangen informatie, evenals de verkregen informatie tijdens het spreekuur, heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er per 29 april 2022 sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als waarmee eiser eerder de wachttijd voor de WIA heeft volgemaakt.

De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 10 juni 2024, met inachtneming van de beperkingen van eiser, geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor het verrichten van zijn eigen werk. De arbeidsdeskundige acht eiser wel geschikt voor de functies: telefonist (centrale)/medewerker callcenter (inbound) (SBC-code 315174), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en telefonisch verkoper (outbound) (SBC-code 315173). Het loon dat met de middelste van deze drie functies (de mediaanfunctie) verdiend kan worden, ligt 72,17% lager dan het loon dat eiser met zijn eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen.

4. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 22 juli 2025 geconcludeerd dat de ingebrachte bezwaren van eiser geen aanleiding geven tot aanpassing van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 29 juli 2025 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiser

5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is genomen. Hij stelt daartoe dat sprake is van volledig arbeidsongeschiktheid op medische gronden omdat hij meer beperkingen heeft dan in de FML zijn aangenomen. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn hand-, vinger-, schouder-, rug- en vermoeidheidsklachten. Volgens eiser zijn ten onrechte geen beperkingen aangenomen voor de handfunctie en het reiken. Ook dient een verdergaande urenbeperking te worden aangenomen van vier uur per dag en twintig uur per week vanwege de vermoeidheidsklachten en slaapproblematiek. Eiser stelt daarnaast dat hij de geselecteerde functies niet kan verrichten, omdat deze functies zijn belastbaarheid overschrijden. In de functie van productiemedewerker industrie is sprake van een overschrijding van de belastbaarheid op de punten zitten, reiken en buigen. Eiser verzoekt de rechtbank om een onafhankelijke deskundige te benoemen omdat hij deze zelf niet kan betalen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar

6. Het UWV heeft op 31 juli 2025 alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Hieruit volgt dat eiser niet langer procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep niet tijdig beslissen heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het alsnog genomen besluit op bezwaar.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit

7. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser terecht met ingang van 29 april 2022 (de datum in geding) heeft vastgesteld op 72,17%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld.

Voor de relevante wettelijke regels verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.

Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

8. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, het psychisch en lichamelijk onderzoek door de primaire verzekeringsarts, het psychisch en lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 21 juli 2025 en de informatie verkregen van de behandelaar van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek daarmee op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.

Medische beoordeling

9. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser op de datum in geding. Zonder afbreuk te willen doen aan de door eiser ervaren gezondheidsklachten, merkt de rechtbank op dat van belang is dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van eiser als zodanig of om de door hem ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Het is daarbij de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 22 juli 2025 voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet verdergaand beperkt is dan vastgesteld in de FML van 24 mei 2024. In verband met eisers rugklachten zijn wegens de axiale spondyloartritis beperkingen aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat de forse klachten van andere gewrichten dan de wervelkolom niet te verklaren zijn vanuit de axiale spondyloartritis. Indien sprake is van gewrichtsontstekingen in de schouder, handen en vingers, zou dit objectiveerbaar moeten zijn bij het lichamelijk onderzoek, omdat dat gepaard gaat met roodheid, warmte en zwelling. Zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep als de primaire verzekeringsarts hebben dit niet waargenomen bij het lichamelijk onderzoek. Er is dan ook onvoldoende grond om wegens de gewrichtsklachten in andere gewrichten meer beperkingen op te nemen in de FML. In zijn aanvullende rapportage 2 april 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarnaast gemotiveerd toegelicht dat de ingebrachte medische informatie van de reumatoloog geen aanleiding geeft het standpunt te wijzigen. De informatie van de reumatoloog dateert van ruim na de datum in geding. Verder blijkt uit de informatie dat er op dat moment geen klachten met betrekking tot de axiale spondyloartritis zijn en dat de axiale spondyloartritis rustig is met medicatie. Ten aanzien van de schouderklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 22 juli 2025 gemotiveerd toegelicht dat er geen aanleiding is om voor het reiken een beperking op te nemen omdat de primaire verzekeringsarts bij het lichamelijk onderzoek heeft geconstateerd dat eiser in staat was om beide armen minimaal 90 graden voorwaarts te heffen (reiken).

De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarnaast volgen in het standpunt dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een (verdergaande) urenbeperking op grond van energetische of preventieve gronden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 22 juli 2025 afdoende gemotiveerd toegelicht dat, uitgaande van de verzekeringsgeneeskundige standaard "Duurbelastbaarheid in Arbeid", er geen medische indicatie is om een verdergaande beperking van de duurbelastbaarheid aan te nemen bij passende arbeid. Er is geen sprake van een stoornis in de energiehuishouding die hiertoe aanleiding geeft (bijvoorbeeld een middels fietsproef aangetoonde sterk verminderde hart-of longfunctie). Daarnaast blijkt uit het dagverhaal van eiser, zoals uitgevraagd door de primaire verzekeringsarts, ook geen extra slaapbehoefte. Ook vanuit preventief oogpunt is er geen aanleiding voor een beperking van de duurbelastbaarheid. De klachten zullen, naar objectieve maatstaven gemeten door belasten in meer uren en rekening houdend met de gestelde beperkingen, niet verergeren in de zin dat door belasten schade ontstaat aan het bewegingsapparaat of de persoon.

Uit het voorgaande volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank in de FML van 24 mei 2024 voldoende rekening heeft gehouden met de medisch objectiveerbare beperkingen van eiser. Dat de bedrijfsarts meer beperkingen heeft aangenomen, zoals eiser stelt, maakt niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen in de FML had moeten aannemen. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), volgt dat een oordeel van de bedrijfsarts ziet op de re-integratiemogelijkheden en dus een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Nu de rechtbank geen twijfel heeft aan de juistheid van het medisch oordeel, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat eiser belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat zijn WIA-aanspraken onjuist zijn vastgesteld. Eiser heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat het UWV zijn beperkingen heeft onderschat en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Eiser heeft in de procedure onder meer meerdere medische stukken van de reumatoloog ingebracht. Die stukken zijn naar hun aard geschikt om twijfel te zaaien aan het oordeel van het UWV. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze informatie inzichtelijk weergegeven en beoordeeld.

Arbeidsdeskundige beoordeling

10. Uit het voorgaande volgt dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiser correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiser overschrijdt, zodat deze functies voor eiser geschikt zijn. In de rapportage van 29 juli 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat hij de geselecteerde functies met de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft besproken en dat hieruit is gebleken dat de functies vallen binnen eisers belastbaarheid. Ten aanzien van de functie van productiemedewerker industrie is toegelicht dat eiser het zitten tussentijds kort kan verbreken door te vertreden. Vertreden ziet op het ondernemen van een andere activiteit (bijvoorbeeld een minuut staan of lopen) en is iets anders dan verzitten. Daarnaast wordt de overschrijding ten aanzien van de frequentie van het reiken voldoende gecompenseerd door de reikafstand, omdat het overgrote deel van het reiken (500 keer) een afstand van 40 centimeter (inclusief de lengte van de onderarm) betreft in plaats van de toegestane 70 centimeter. Hierdoor blijft er effectief maar tussen de 10 en 15 centimeter reiken over. Dit geldt eveneens voor de belasting in het buigen bij deze functie. Er moet weliswaar vijfmaal meer gebogen worden dan op grond van de FML is toegestaan, maar omdat het overgrote deel van de buigingen 30 graden in plaats van de toegestane 45 graden is, is dat voor eiser mogelijk. Ook hier wordt de gevraagde belasting dus in voldoende mate gecompenseerd door de gevraagde buighoek. Hiermee valt de totale fysieke belasting van deze functie binnen de belastbaarheid van eiser.

Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in haar eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 72,17%.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 29 april 2022 door het UWV juist is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 72,17%.

12. Omdat het bestreden besluit is genomen nadat eiser beroep heeft ingesteld wegens het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar, bestaat wel aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt voor het instellen van het beroep niet-tijdig beslissen. Het UWV moet ook het betaalde griffierecht vergoeden.

13. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat de proceskostenvergoeding enkel wordt toegekend voor het beroep niet-tijdig beslissen, waarin het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand