RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11799351 RR FORM 25-72
datum uitspraak: 23 januari 2026
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[persoon A] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
die zelf procedeert,
tegen
[persoon B] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.
1. De procedure
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het aanvraagformulier van [persoon A] dat de rechtbank op 17 juli 2025 heeft ontvangen, met bijlagen, en
de e-mail van [persoon A] van 16 september 2025;
de spreekaantekeningen van [persoon B] , met bijlage.
Op 4 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [persoon A] en [persoon B] aanwezig. [persoon B] werd bijgestaan door haar zus.
[persoon A] heeft na de zitting nog een stuk ingediend. De rechter zal deze niet meenemen in zijn beoordeling, omdat deze niet uiterlijk tien dagen voor de zitting is ingediend en de rechter tijdens de zitting niet de gelegenheid heeft gegeven om meer stukken in te dienen (artikel 12 Besluit).
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[persoon A] en [persoon B] hebben samen een bus gekocht met een waarde van in totaal 15.338 Australische dollars (AUD). [persoon A] en [persoon B] hebben afgesproken de kosten voor de aankoop te delen. Omdat [persoon B] haar deel niet volledig kon betalen, heeft [persoon A] 531 AUD voorgeschoten. Zij zijn samen met de bus gaan reizen. In september 2023 zijn de remmen vervangen. Deze werkzaamheden zijn voor 2.000 AUD uitgevoerd. [persoon A] heeft meer betaald voor de herstelkosten dan [persoon B] (395 AUD). Hij heeft [persoon B] gevraagd om haar aandeel in de kosten aan hem terug te betalen. Dit heeft zij niet gedaan. In deze procedure vordert hij € 565,00 met rente van [persoon B] .
Nadat de relatie is stukgelopen, is [persoon A] alleen gaan reizen en heeft [persoon B] de bus meegenomen. [persoon A] heeft enkele spullen laten liggen in de bus om deze later bij de vader van [persoon B] in Melbourne ophalen. Omdat [persoon B] geen rijbewijs had, heeft zij een derde gevraagd om de bus van Douglas terug te rijden naar Melbourne. In Melbourne is gebleken dat enkele spullen van [persoon A] missen. [persoon A] vordert in totaal € 305,00 voor zijn verloren spullen, verhoogd met de wettelijke rente. Tijdens de zitting heeft [persoon A] aangegeven dat hij de waarde van zijn verloren spullen heeft berekend en aangegeven dat hij in totaal voor de aankoop van de bus, herstelkosten, verloren spullen en wettelijke rente nu € 1.815,43 vordert van [persoon B] .
[persoon B] erkent dat zij haar aandeel in het aankoopbedrag van de bus en de kosten voor het herstel van de remmen moet terugbetalen aan [persoon A] . Zij is het niet eens met de vordering tot vergoeding van de verloren spullen, omdat [persoon A] wist dat de bus door een derde zou worden gebruikt nu [persoon B] geen rijbewijs heeft. Daarnaast vindt zij dat [persoon A] zijn spullen mee had kunnen nemen of ergens anders moest bewaren. Ook zegt ze dat er geen verband is tussen het handelen van [persoon B] en het verdwijnen van de spullen.
[persoon B] doet verder een beroep op verrekening. Zij geeft aan dat zij na het vertrek van [persoon A] reparatiekosten heeft moeten betalen die ook tussen partijen gedeeld moeten worden. [persoon B] geeft aan dat haar vordering tot terugbetaling van het deel van deze reparatiekosten hoger is dan de vordering van [persoon A] . In reconventie vordert [persoon B] dan ook € 139,00 van [persoon A] .
De rechter oordeelt dat [persoon A] nog € 139,00 moet betalen aan [persoon B] . Dit wordt hieronder uitgelegd.
Partijen zijn beiden verantwoordelijk voor de kosten die zijn gemaakt voor de bus
Door samen een busje te kopen, bestaat tussen partijen een gemeenschap (artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek). Dit betekent dat zij vanaf de aankoop beiden voor de helft moeten bijdragen in uitgaven die ten behoeve van de bus worden gemaakt (artikel 3:172 BW).
De vorderingen van [persoon A] zijn toewijsbaar, aangezien [persoon B] deze niet heeft betwist. Het uitgangspunt is dan ook dat [persoon B] nog € 565,00 (926 AUD) moet betalen aan [persoon A] voor haar aandeel in het aankoopbedrag en de kosten van het herstel voor de remmen.
[persoon B] heeft echter ook kosten gemaakt voor de bus. Zij heeft in totaal 2.349 AUD betaald. Het aandeel van [persoon A] hierin is volgens haar 1.174,50 AUD. [persoon A] vindt echter dat hij niet meer verantwoordelijk is voor deze kosten, omdat de bus op naam stond van [persoon B] en de kosten zijn gemaakt nadat partijen uit elkaar zijn gegaan. De rechter gaat hier echter niet in mee. Door samen een bus te kopen, blijven zij hiervoor samen verantwoordelijk tot het moment dat partijen andere afspraken maken of de bus verkopen of laten slopen. Niet is gesteld of gebleken dat er andere afspraken zijn gemaakt of dat de waarde van de bus is verdeeld tussen partijen op het moment dat zij uit elkaar gingen. Dit betekent dat [persoon A] , ook al rijdt hij niet meer met de bus, verantwoordelijk is gebleven voor de helft van de kosten die [persoon B] voor de bus heeft moeten maken. Hij heeft er ook belang bij gehad om de bus te laten maken, omdat deze na het einde van hun relatie nog naar Melbourne moest, zodat [persoon A] zijn opgeslagen spullen kon ophalen. De rechter oordeelt dan ook dat [persoon A] 1.174,50 AUD aan [persoon B] moet betalen.
De vorderingen worden met elkaar verrekend
De rechter oordeelt verder dat de vorderingen met elkaar worden verrekend (artikel 6:127 BW). Dit houdt in dat [persoon B] na verrekening 1.174,50 AUD – 531 AUD – 395 AUD = 248,50 AUD vordert van [persoon A] . [persoon B] heeft gesteld dat dit € 139,00 is. Dit heeft [persoon A] niet betwist. De rechter wijst dit bedrag in reconventie dan ook toe.
De door [persoon A] gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen, omdat [persoon B] haar vordering al met de vordering van [persoon A] mocht verrekenen (artikel 6:129 lid 1 BW en artikel 6:127 lid 2 BW) voordat zij in verzuim was (artikel 6:81 en artikel 6:82 lid 1 BW). [persoon A] heeft rente gevorderd vanaf 20 april 2023, maar uit de afspraken tussen partijen blijkt niet dat zij een concrete (fatale) datum hebben afgesproken waarop [persoon B] de bedragen uiterlijk aan hem terug had moeten betalen. [persoon A] heeft [persoon B] gevraagd om de bedragen uiterlijk op 30 mei 2025 te betalen, waardoor de wettelijke rente pas vanaf 31 mei 2025 kan worden gevorderd. Deze datum ligt na het moment dat [persoon B] voor de herstelwerkzaamheden heeft betaald en haar vordering mocht verrekenen met de vordering van [persoon A] . [persoon A] heeft dan ook geen recht op wettelijke rente.
De vergoeding voor de verdwenen spullen wordt afgewezen
De rechter wijst de vergoeding die [persoon A] heeft gevorderd voor de verdwenen spullen af, omdat [persoon A] onvoldoende heeft onderbouwd dat de spullen in de bus lagen toen hij wegging. Het had op zijn weg gelegen om meer te onderbouwen waaruit blijkt dat de spullen wel in de bus lagen. Dit wordt namelijk door [persoon B] betwist. Tijdens de zitting heeft [persoon A] aangegeven dit niet verder te kunnen onderbouwen, waardoor de rechter hem niet in de gelegenheid stelt om dit alsnog te doen. Omdat niet kan worden vastgesteld dat [persoon A] schade heeft geleden, kan de vraag wie verantwoordelijk is voor het verlies van de spullen onbeantwoord blijven.
[persoon A] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen in conventie en in reconventie voor rekening van [persoon A] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 15 Besluit). De rechter begroot de kosten die [persoon A] in conventie aan [persoon B] moet betalen op € 50,- aan onkosten (artikel 238 lid 1 Rv). De kosten worden in reconventie begroot op nihil. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] dat eist en [persoon B] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De regelrechter:
in conventie
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon B] worden begroot op € 50,00;
in reconventie
veroordeelt [persoon A] om aan [persoon B] € 139,00 te betalen;
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon B] worden begroot op nihil;
in conventie en in reconventie
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
Bent u het niet eens met dit vonnis? Dan kunt u binnen drie maanden na de datum van de uitspraak het Gerechtshof in Den Haag vragen om de zaak opnieuw te beoordelen (hoger beroep). Dat doet u door de deurwaarder een dagvaarding te laten bezorgen bij de tegenpartij en die ook op te sturen naar het Gerechtshof. U heeft hiervoor een advocaat nodig.