RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10190
(gemachtigde: mr. K. Aslan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [naam] ).
Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering die eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) ontving. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op goede gronden heeft besloten om de ZW-uitkering van eiseres te beëindigen.
Procesverloop
Eiseres ontving van haar werkgever een ZW-uitkering. Het UWV heeft deze uitkering met het besluit van 15 maart 2023 (het primaire besluit) per 16 april 2023
(datum in geding) beëindigd. Het UWV heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiseres per 21 november 2022 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
Met het besluit van 2 oktober 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de beëindiging van de ZW-uitkering gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiseres heeft per brief van 23 maart 2026 aanvullende informatie ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar zoon, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres, laatstelijk werkzaam als logistiek medewerker, heeft zich op
22 november 2021 ziekgemeld.
In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling (EZWB) heeft eiseres op 27 februari 2023 het spreekuur van de primaire arts bezocht. In de rapportage van
13 maart 2023, welke getoetst en akkoord is bevonden door een geregistreerde verzekeringsarts, is de primaire arts tot de conclusie gekomen dat eiseres beperkingen heeft als gevolg van ziekte of gebrek. De beperkingen van eiseres zijn vervolgens vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 maart 2023. Eiseres is beperkt geacht in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden. Met inachtneming van de functionele mogelijkheden en beperkingen van eiseres heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 14 maart 2023 geconcludeerd dat eiseres niet geschikt is voor haar werk als logistiek medewerker, maar dat zij wel geschikt is voor een vijftal functies. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens berekend dat eiseres met de middelste van de eerste drie functies (mediaanfunctie) 100% van haar laatst verdiende loon (maatmaninkomen) kan verdienen. Het UWV heeft vervolgens met het primaire besluit de ZW-uitkering van eiseres per 16 april 2023 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van haar laatst verdiende loon.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 13 juni 2024 een medisch onderzoek verricht en op 26 september 2024 een rapportage opgesteld. In deze rapportage heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de primaire arts de FML van 13 maart 2023 juist heeft opgesteld. Vervolgens heeft het UWV met het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Standpunt eiseres
3. Eiseres stelt dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is verricht omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende informatie heeft opgevraagd bij haar behandelaars. Eiseres wordt al jaren behandeld voor angst- en paniekklachten. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich geen goed beeld kunnen vormen van deze klachten omdat de opgevraagde medische informatie slechts ziet op de toegepaste behandelingen en niet op het eventuele resultaat van die behandelingen. Uit de informatie volgt niet duidelijk voor welke psychische stoornissen eiseres is behandeld. Verder stelt eiseres dat zij verdergaande beperkingen heeft dan de beperkingen die in de FML zijn vastgesteld. Haar mentale klachten, waaronder haar angst-, paniek- en depressieklachten, bieden voldoende aanleiding om een beperking aan te nemen ten aanzien van storingen en onderbrekingen in het werk. Daarbij is de kans groot dat eiseres in een werkomgeving waarin veel mensen tegelijkertijd werkzaam zijn, te maken zal krijgen met paniekaanvallen. Eiseres wijst in dit verband ook op de door haar overgelegde rapportage van PsyQ van 5 juni 2024. Uit deze rapportage volgt volgens eiseres dat zij uitgebreid is behandeld voor haar paniekklachten en dat er vanwege angst sprake was van veelvuldige afwezigheid bij de groepstherapie die zij volgde. Eiseres meent verder dat de primaire arts heeft vastgesteld dat zij een verminderde cognitieve flexibiliteit heeft, wat ook een reden moet vormen om een beperking aan te nemen ten aanzien van storingen en onderbrekingen in het werk. Daarnaast stelt eiseres dat haar slaapproblemen moeten leiden tot een urenbeperking en een beperking ten aanzien van werken in de avond. Dat eiseres ’s nachts niet kan slapen houdt geen verband met haar telefoongebruik maar met piekeren. Over de arbeidsdeskundige beoordeling merkt eiseres op dat uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst en het Resultaat functiebeoordeling volgt dat de arbeidsdeskundige 21 november 2022 als ‘selectiedatum functiebestand’ heeft gehanteerd, terwijl 16 april 2023 de datum is die ter beoordeling voor ligt.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of het UWV de ZW-uitkering van eiseres terecht met ingang van 16 april 2023 heeft beëindigd. Daarvoor moet zij beoordelen of het UWV zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres, ondanks haar beperkingen, per 16 april 2023 ten minste 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziek meldde. De rechtbank beoordeelt dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Voor de relevante wettelijke regels verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
5. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) de verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel en dat raadpleging van de behandelende sector is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet waarvan een beduidend effect op de belastbaarheid van betrokkene te verwachten is, of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt over diens beperkingen heeft. In de rapportage van 26 september 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat de primaire arts mocht afzien van het opvragen van informatie, mede omdat er geen behandeling gepland stond die een relevante invloed op de belastbaarheid van eiseres zou kunnen hebben. Gelet op het uitdrukkelijk verzoek van eiseres daartoe, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog tijdens de bezwaarprocedure medische informatie opgevraagd bij de behandelaar. Deze informatie is vervolgens betrokken bij de heroverweging in bezwaar. Uit de informatie volgt weliswaar niet welk resultaat er met de behandeling is behaald en voor welke psychische stoornis eiseres is behandeld, maar zoals het UWV op de zitting heeft toegelicht, volgt uit de rapportage van PsyQ van 5 juni 2024 geen wezenlijk ander beeld van de medische toestand van eiseres. Uit de rapportage volgt immers dat eiseres in een groep schematherapie heeft gevolgd en dat zij veel angst ervaarde bij elke zitting. Eiseres heeft zowel bij de primaire arts als bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep verklaard over haar angstklachten en de door haar gevolgde therapieën. Uit de rapportages van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat er bij de medische beoordeling rekening is gehouden met de angstklachten van eiseres en dat hiervoor in de FML beperkingen zijn opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Naast het opvragen van medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook het dossier bestudeerd en op 13 juni 2024 een psychisch onderzoek uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarmee op zorgvuldige wijze is uitgevoerd.
De belastbaarheid van eiseres
6. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen had moeten vaststellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 26 september 2024 gemotiveerd toegelicht dat eiseres, gezien haar verminderde cognitieve flexibiliteit, is aangewezen op redelijk voorspelbare werkzaamheden zonder veelvuldige deadlines, zonder grote leidinggevende aspecten en zonder hoge eindverantwoordelijkheid en dat zij daarop beperkt is in de FML in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast gemotiveerd toegelicht dat er geen aanleiding is voor een beperking op afleiding door activiteiten van anderen (FML-item 1.81) omdat in het geval van eiseres niet is gebleken dat sprake is van bijzondere prikkelgevoeligheid of van een sterke beïnvloeding van het functioneren door wat er in haar omgeving gebeurt. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er evenmin aanleiding om een beperking aan te nemen ten aanzien van werksituaties met veelvuldige storingen en onderbrekingen (FML-item 1.8.3), aangezien in het geval van eiseres geen sprake is van een verhoogde afleidbaarheid. Eiseres kan bij een verstoring normaal terugkeren in de taak waar ze mee bezig was en kan ook van de ene naar de andere taak omschakelen. In tegenstelling tot wat eiseres heeft aangevoerd, kan ook uit de rapportage van PsyQ niet worden opgemaakt dat eiseres verdergaand beperkt is. In de rapportage staat wel dat op momenten dat het slechter ging met eiseres, zij de neiging had om bij afspraken weg te blijven. Het UWV heeft er ter zitting echter terecht op gewezen, dat bij PsyQ sprake was van een therapiesetting, wat niet vergelijkbaar is met het verrichten van arbeid in de geselecteerde functies. De in de rapportage van PsyQ genoemde klachten waren bekend bij de (verzekerings)artsen en zijn bij de medische beoordeling kenbaar meegewogen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de urenbeperking voldoende gemotiveerd overwogen dat er weliswaar sprake is van een verschoven dag-nachtritme met weinig structuur, maar dat er geen sprake is van een stoornis met een relevante invloed op de energiehuishouding die een urenbeperking rechtvaardigt. De verzekeringsarts ziet dus geen aanleiding voor een urenbeperking op energetische gronden. Daarnaast ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook geen reden om op preventieve gronden eiseres parttime te laten werken, omdat zij beschikbaar wordt geacht voor fulltime arbeid. De enkele stelling van eiseres dat een verdergaande beperking op werktijden zou moeten gelden voor de avond, omdat zij beperkt is voor werken in nachtdiensten, is niet met medisch objectieve gegevens onderbouwd. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat een beperking voor het werken in de avond niet is aangewezen, omdat de slaapproblemen van eiseres niet samenhangen met ziekte of gebrek maar met een slechte slaaphygiëne.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de vastgestelde belastbaarheid van eiseres inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd. Nu de rechtbank geen twijfel heeft aan de juistheid van het medisch oordeel, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat eiseres belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat haar ZW-aanspraken onjuist zijn vastgesteld. Eiseres heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om stukken in te dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat het UWV haar beperkingen heeft onderschat en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Eiseres heeft in de procedure onder meer medische stukken van PsyQ ingebracht. Die stukken zijn naar hun aard geschikt om twijfel te zaaien aan het oordeel van het UWV.
De selectiedatum bij de arbeidsdeskundige beoordeling
7. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat bij de arbeidsdeskundige beoordeling is uitgegaan van een verkeerde selectiedatum van de functies. Op grond van artikel 19aa van de ZW dient na 52 weken van ziekte een EZWB plaats te vinden. Hieruit volgt dat de toetsingsdatum in deze zaak 21 november 2022 is. De primaire arbeidsdeskundige is bij het selecteren van de functies ook van deze toetsingsdatum uitgegaan. Aan de hand van de geselecteerde functies heeft de primaire arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiseres in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen. Vervolgens heeft het UWV met het primaire besluit bepaald dat de ZW-uitkering eindigt per 16 april 2023. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij een EZWB de datum waarop, aan het einde van de uitlooptermijn, de uitkering wordt beëindigd, geldt als datum in geding. Dit bekent dat als toetsingsdatum en de datum in geding niet met elkaar samenvallen en in de tussenliggende periode relevante wijzigingen voordoen in de medische situatie, dat daarmee rekening moet worden gehouden.
Zoals hiervoor overwogen onder 6. en 6.1. is de rechtbank van oordeel dat de medische belastbaarheid van eiseres per de datum in geding van 16 april 2023 in de rapportage van 26 september 2024 op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Bij deze beoordeling is geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan vastgesteld in de FML van 13 maart 2023, die geldig is per de toetsingsdatum van 21 november 2022. Van een relevante wijziging in de medische situatie in de periode tussen de toetsingsdatum en de datum in geding is daarom niet gebleken. De door de primaire arts geselecteerde functies zijn daarmee geschikt gebleven. Eiseres heeft hiertegen in bezwaar ook geen gronden aangevoerd. Dit betekent dat het UWV bij de beoordeling heeft kunnen uitgaan van de geschiktheid van eiseres voor de functies die de primaire arbeidsdeskundige met selectiedatum 21 november 2021 heeft geselecteerd.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Het UWV heeft terecht de uitkering van eiseres per
16 april 2023 beëindigd, omdat zij meer dan 65% arbeidsgeschikt is. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel heeft de verzekerde, indien hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij hiertoe in staat is geacht.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.