ECLI:NL:RBROT:2026:8784

ECLI:NL:RBROT:2026:8784

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 17-07-2026
Zaaknummer ROT 24/10143
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Proces-verbaal
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Mondelinge uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het UWV bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 8, eerste en tweede lid, van het Schattingsbesluit en is uitgegaan van de juiste indexcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Daarbij overweegt de rechtbank dat de datum van het arbeidskundig onderzoek bepalend is voor het te gebruiken indexcijfer en dat bij de indexering van het maatmanloon gebruik moet worden gemaakt van de cijfers van de index van de CAO-lonen, zoals die door het CBS wordt gepubliceerd. Het feit dat bij de toenmalige werkgever in de transportbranche sprake was van andere indexcijfers, maakt dat niet anders.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

15 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/10143

(gemachtigde: mr. H. Akbaba),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

1. Met het besluit van 27 november 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd vanaf 28 december 2023.

Met het besluit van 9 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk en de gemachtigde van het UWV.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht aan eiser geen uitkering op grond van de ZW heeft toegekend. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden.

3. Eiser heeft aangevoerd dat het UWV het onjuiste indexcijfer heeft gehanteerd bij de indexering van het maatmanloon. Wanneer het UWV het juiste indexcijfer had gehanteerd, was het arbeidsongeschiktheidspercentage uitgekomen op 35,41%. Volgens eiser had het UWV moeten rekenen met de indexcijfers “Cao-lonen, contractuele loonkosten en arbeidsduur; indexcijfers (2010=100) Vervoer en Opslag”. Hij heeft hiervan een uitdraai overgelegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gebruik gemaakt van de eerst-gepubliceerde cijfers “Cao-lonen, contractuele loonkosten en arbeidsduur; indexcijfers (2010=100) A-U Alle economische activiteiten”. Op de zitting heeft het UWV toegelicht dat de indexcijfers “Alle economische activiteiten” altijd worden gehanteerd, ongeacht de sector of branche waarin iemand voorheen werkzaam was.

4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de indexcijfers van april 2021 en juli 2023 moeten worden gehanteerd voor de vaststelling van het maatmanloon. Ook is het door het UWV gehanteerde refertejaar geen geschilpunt.

5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 28 december 2023 op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 8, eerste en tweede lid, van het Schattingsbesluit en is uitgegaan van de juiste indexcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) behorend bij de maand april 2021 (120,0) en juli 2023 (132,0) dat bekend was ten tijde van het arbeidskundig onderzoek, te weten 24 november 2023. Daarbij overweegt de rechtbank dat de datum van het arbeidskundig onderzoek bepalend is voor het te gebruiken indexcijfer en dat bij de indexering van het maatmanloon gebruik moet worden gemaakt van de cijfers van de index van de CAO-lonen, zoals die door het CBS wordt gepubliceerd. Het feit dat bij de toenmalige werkgever in de transportbranche sprake was van andere indexcijfers, maakt dat niet anders.

6. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de toelichting op de wettekst. Sinds de invoering van de indexering wordt geen rekening meer gehouden met mogelijke individuele loonsverhogingen of periodieke cao-verhogingen van de representatieve periode. De reden is de met de invoering van de indexering en de afschaffing van de actualisering gepaard gaande administratieve lastenverlichting. Het aansluiten bij het CBS-indexcijfer van een specifieke branche zou deze administratieve last juist weer verhogen. Het UWV moet dan immers weer bij de werkgever achterhalen onder welke CAO de werknemer valt. Dit is niet de bedoeling van de wetgever. Het beroep van eiser slaagt niet.

7. Voor zover eiser eerst ter zitting een beroep heeft gedaan op het evenredigheidsbeginsel, slaagt dit beroep niet. Dat eiser een nadeel heeft is evident, maar dat dit onevenredig is in zijn situatie is niet onvoldoende onderbouwd. En daarnaast is dit mogelijke nadeel meegewogen bij de totstandkoming van het Schattingsbesluit. Verder heeft het UWV nog toegelicht dat bij de invoering van de indexeringsmethode aan werknemers is tegemoetgekomen door aansluiting te zoeken bij het aangiftetijdvak van een jaar voorafgaand aan de ziekmelding en hierbij de indexeringen vanaf dat moment mee te nemen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand