RECHTBANK ROTTERDAM
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11053
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
Met het besluit van 27 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV per
3 september 2024 aan eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 78,26.
Met het besluit van 20 november 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de vraag of het UWV het dagloon van eiser in het kader van zijn uitkering op grond van de WW op de juiste wijze heeft vastgesteld.
3. Eiser voert aan dat het UWV de hoogte van het dagloon heeft gebaseerd op de uitgekeerde inkomsten en niet op zijn arbeidscontract dat hij met zijn ex-werkgever had. In de referteperiode is eiser vaak ziek geweest en hij heeft daarom niet zijn volledige salaris ontvangen. Het bedrag van € 19.487,96 als jaarinkomen waar het UWV vanuit gaat, is daarom niet representatief.
4. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 1b van de WW en uit het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit) volgt hoe het WW-dagloon en het WW-maandloon berekend dienen te worden. De rechtbank stelt ook vast dat de referteperiode als bedoeld in artikel 2 van het Dagloonbesluit tussen partijen niet in geschil is en loopt van
15 juli 2023 tot en met 14 juli 2024. In de artikelen 3 tot en met 6 van het Dagloonbesluit is te vinden hoe het dagloon wordt berekend. Voor zover in de referteperiode minder loon is genoten in verband met ziekte, zoals bij eiser het geval is, wordt bij de berekening van het dagloon als loon aangemerkt het loon waarin de ziekte zich niet heeft voorgedaan, tenzij dit nadelig is voor de verzekerde. Het WW-dagloon wordt berekend door het loon uit de referteperiode te delen door 261 en vervolgens te indexeren naar de datum van de toekenning van de WW-uitkering. Het WW-maandloon is het WW-dagloon vermenigvuldigd met 21,75. Het WW-maandloon wordt gebruikt om de hoogte van de uitkering uit te rekenen.
5. Het UWV is bij het bepalen van het dagloon uitgegaan van de polisadministratie. Het is vaste rechtspraak dat het UWV uit mag gaan van de gegevens uit de polisadministratie, tenzij door eiser aangetoond wordt dat deze gegevens onjuist zijn. Omdat het loon van eiser in de periode van 15 juli 2023 tot en met 3 december 2023 als gevolg van ziekte lager is geweest, heeft het UWV ook, conform artikel 6, tweede lid, van het Dagloonbesluit, bezien of het dagloon hoger uit zou komen als zou worden gerekend met het aangiftetijdvak van 4 december 2023 tot en met 31 december 2023. Wanneer echter gerekend zou worden met het aangifte tijdvak van 4 december 2023 tot en met 31 december 2023, zou het dagloon lager zijn uitgevallen. Daarom heeft het UWV dit terecht niet gedaan.
6. Voor zover eiser heeft gewezen op zijn vaststellingsovereenkomst en zijn arbeidscontract waaruit zou volgen dat hij een hoger jaarloon zou ontvangen, kan eiser niet worden gevolgd. Het gaat bij de berekening van het dagloon om het historisch verdiende loon (zoals dit volgt uit de polisadministratie). Slechts onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding zijn om van de wettelijk voorgeschreven berekeningswijze van het WW-dagloon af te wijken. Eiser heeft dergelijke bijzondere omstandigheden niet naar voren gebracht.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.