[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Inleiding
1. Het college heeft verzoekers vakantiegeld niet uitbetaald in verband met een beslaglegging. Dit blijkt uit de uitkeringsspecificatie van 16 mei 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 11 juni 2026 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond, is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
4. Verzoeker is het er niet mee eens dat zijn vakantiegeld niet is uitbetaald. Dit levert op zichzelf niet zonder meer een spoedeisend belang op. Verzoeker heeft immers nog een bijstandsuitkering, waarmee hij kan voorzien in zijn levensonderhoud. De rechtbank heeft aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang toe te lichten en verzoeker heeft hierop gereageerd. Uit verzoekers reactie blijkt niet dat hij door het niet uitbetalen van het vakantiegeld in de financiële problemen komt. De conclusie is dan ook dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening en dat verzoeker zou kunnen wachten op de uitspraak op zijn beroepschrift.
5. Daarnaast verwacht de voorzieningenrechter dat de rechtbank verzoekers beroep ongegrond zal verklaren. Verzoeker heeft namelijk al een soortgelijke procedure gevoerd tegen het niet uitbetalen van zijn vakantiegeld in 2025 en de rechtbank heeft verzoekers beroep toen ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was de uitkeringsspecificatie geen besluit en heeft het college het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om daar nu anders over te denken.
6. De beslaglegging is gebaseerd op een vonnis van de kantonrechter van 19 december 2023. Verzoeker vraagt zich af of dit vonnis is gewezen door een rechter. Verzoeker kan dit zelf controleren via rechtspraak.nl.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: