Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-265584-25
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Datum zitting: 12 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] ([naam PI]),
gedetineerd in de [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. T.S. van der Horst.
Officier van justitie: mr. I. Barendregt.
Benadeelde partij: [benadeelde partij].
Gemachtigde van de benadeelde partij: [naam].
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling omdat hij opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan een collega door hem met de vuisten in het gezicht te slaan. Zijn collega heeft een gebroken kaak opgelopen waarvoor hij geopereerd is en op korte termijn opnieuw geopereerd wordt. De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd. De rechtbank legt een gevangenisstraf van vier maanden op.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte primair – samengevat – van zware mishandeling. Subsidiair is dat ten laste gelegd als een poging.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Dordrecht, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal, (met gebalde vuist) tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te stompen en/of slaan;
subsidiair: hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Dordrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, (met gebalde vuist) tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primaire feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] op 7 oktober 2025 in Dordrecht. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het primaire feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Bekennende verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer]
3. Schriftelijk stuk, letselrapportage
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
primair
hij op 7 oktober 2025 te Dordrecht aan een ander, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair
zware mishandeling.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de LOVS oriëntatiepunten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn proceshouding, is een straf gelijk aan het voorarrest op zijn plaats. Daarom moet een gevangenisstraf worden opgelegd met een duur tussen de negentig en honderdelf dagen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte had een conflict met een collega over de werkzaamheden die zij moesten verrichten. Hij heeft eerst hierover een leidinggevende aangesproken, die hem echter zei dat hij daar zelf met zijn collega over in gesprek moest gaan. Omdat zijn collega daar vervolgens niet positief op reageerde, heeft de verdachte hem meermalen met zijn vuisten tegen het hoofd geslagen. Het slachtoffer heeft daardoor onder meer een kaakbreuk opgelopen. De verdachte heeft daarmee op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Het strafblad van de verdachte leidt om die reden tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 22 december 2025 staat – voor zover hier relevant – het volgende:
De verdachte is bekend wegens geweldsfeiten, wij zien hierin een delictspatroon. Dit delict vond plaats tijdens de extramurale werkzaamheden van de verdachte op de beperkt beveiligde afdeling (BBA) in de Penitentiaire Inrichting PI Dordrecht, die hij gedurende een lopende detentie uitvoerde.De verdachte werd abstinent van middelen, volgde een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden en een agressieregulatietraining. Ook ontving hij praktische begeleiding van Humanitas Homerun. Hij bevond zich ten tijde van het delict in de laatste maanden voor zijn voorwaardelijke invrijheidstelling (januari 2026). Al deze ingezette interventies en positieve factoren hebben het delictgedrag niet kunnen voorkomen, hetgeen wij als zorgwekkend zien. Zelf geeft betrokkene aan nog behandeling te willen, omdat hij bepaalde patronen nog niet heeft doorbroken.
Bij een veroordeling adviseren wij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Ondanks dat wij zien dat er begeleiding/ondersteuning wenselijk is en de verdachte stapsgewijs weer zal moeten re-integreren in de maatschappij, hebben wij op dit moment onvoldoende zicht op benodigde interventies om het risico op recidive te beperken. Gedurende de huidige detentie zullen de mogelijkheden onderzocht moeten worden, zodat er bij uitstroom detentie een geschikt kader opgesteld kan worden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In dit kader is rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In het voordeel van de verdachte geldt dat hij in de periode voorafgaand aan het feit merkte dat de spanning bij hem opliep en dat hij stappen heeft genomen om deze spanning op een juiste wijze het hoofd te bieden. Hij heeft in eerste instantie goed gehandeld door te communiceren, maar er werd – zo verklaarde de verdachte – niet naar hem geluisterd. De verdachte lijkt een patroon te herkennen en kan op de juiste plaats om hulp vragen. Daarnaast heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft inzicht verschaft in zijn handelen, hij toont inzet en motivatie voor hulp bij gedragsverandering en hij heeft spijt betuigd. In het nadeel van de verdachte geldt dat hij in mei 2021 is veroordeeld voor een geweldsdelict. Alles afwegende wordt een gevangenisstraf van vier maanden opgelegd.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor het ten laste gelegde feit € 4.133,- als vergoeding voor materiële schade en € 7.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De materiële schade bestaat uit posten die zien op:
- € 770,- het eigen risico van de zorgverzekering in de jaren 2025 en 2026;
- € 249,- vermiste Apple AirPods pro 3;
- € 114,- drie dagen daggeldvergoeding ziekenhuisverblijf;
- € 3.000,- kosten plaatsen nieuwe hoektand.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 884,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van de immateriële schadevergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering met betrekking tot de posten die zien op de AirPods en het plaatsen van een nieuwe hoektand.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank als het gaat over de posten die zien op het eigen risico van de zorgverzekering en de daggeldvergoeding. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard worden in de vordering. Voor zover wel immateriële schade zou worden toegewezen, dan is maximaal
€ 2.000,- voor toewijzing vatbaar.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het letsel dat hem is toegebracht. De verdediging heeft de vordering niet betwist voor zover die ziet op de posten voor het eigen risico van de zorgverzekering en de daggeldvergoeding. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank bovendien niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom ten aanzien van die posten toegewezen.
De verdediging heeft de hoogte van kosten van de post die ziet op het plaatsen van een nieuwe hoektand betwist. De rechtbank stelt vast dat in de medische informatie over de benadeelde partij blijkt dat tijdens het ziekenhuisbezoek op 7 oktober 2025 is vastgesteld dat de linker hoektand in de onderkaak van de benadeelde partij ontbreekt. Uit de aangifte blijkt dat dit het gevolg is van het door de verdachte toegepaste geweld. Dit causaal verband is door de verdediging ook niet betwist. Kosten voor het plaatsen van een nieuwe hoektand komen om die reden voor vergoeding in aanmerking. Uit de toelichting op zitting is gebleken dat een tandartsafspraak is verplaatst zodat nog geen offerte beschikbaar is. Volgens de benadeelde partij liggen de kosten voor een nieuwe hoektand doorgaans tussen de € 1.500,- en € 3.000,-. Nu er geen concrete offerte beschikbaar is maakt de rechtbank gebruik van de bevoegdheid om de schade te schatten. De rechtbank zal een bedrag van
€ 1.000,- toewijzen. Ten aanzien van het meerdere wordt de benadeelde partij in diens vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De verdediging heeft de post die ziet op vervanging van de zoekgeraakte AirPods gemotiveerd betwist. In het dossier worden de AirPods niet genoemd. Voorts is vergoeding gevorderd van AirPods pro 3 die in juni 2025 zouden zijn aangeschaft. Tijdens de behandeling is naar voren gekomen dat dit model AirPods toen nog niet was uitgebracht. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte € 1.884,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 3.500,- en tot dit bedrag toegewezen. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting over het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van
€ 3.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente over de immateriële schade toe vanaf 7 oktober 2025 en de wettelijke rente over de materiële schade vanaf de datum van de uitspraak.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 51 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van de opgelegde gevangenisstraf;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 5.384,-, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hierna beschreven. Dit bedrag bestaat uit € 1.884,- als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 januari 2026 tot de dag van volledige betaling, en € 3.500,- als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat te betalen een bedrag van € 5.384,-, de wettelijke rente over € 3.500,- vanaf 7 oktober 2025 en de wettelijke rente over € 1.884 vanaf 26 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 51 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. Boersma, voorzitter,
en mrs. D.F. Smulders en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 januari 2026.