RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5252
(gemachtigde: mr. B. el Ouath),
en
(gemachtigde: mr. A. Hielkema).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een besluit tot uitschrijving van verzoeker uit de basisregistratie personen (brp). Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 2 juni 2026 heeft het college verzoeker uitgeschreven uit de brp. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaak?
3. Op 24 oktober 2025 heeft het college aan verzoeker bericht dat een adresonderzoek is opgestart, omdat een melding is binnengekomen dat verzoekers adresgegevens ( [straatnaam] , [postcode] [locatie] ) niet juist zijn. Verzoeker is vervolgens een aantal malen in de gelegenheid gesteld een adreswijziging door te geven. Verzoeker heeft in reactie op deze verzoeken op meerdere data een ‘Formulier verklaring’ woonadres ingediend, waarop hij heeft ingevuld dat hij op het adres [straatnaam] in Rotterdam woont. Nadat controleurs op meerdere momenten tevergeefs geprobeerd hebben een huisbezoek af te leggen op het adres [straatnaam] in Rotterdam, is verzoeker op 30 januari 2026 in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen waaruit blijkt dat hij op het betreffende adres woont. Verzoeker heeft in reactie hierop bankafschriften en facturen overgelegd. Vervolgens heeft het college het bestreden besluit genomen en verzoeker uitgeschreven uit de brp. Het college heeft het standpunt ingenomen dat verzoeker niet woonachtig is op het adres [straatnaam] en dat hij niet zijn juiste adres aan het college heeft doorgegeven. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de uitschrijving uit de brp ongedaan wordt gemaakt, totdat op zijn bezwaarschrift is beslist.
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Verzoeker heeft onder meer aangevoerd dat, als gevolg van de uitschrijving uit de brp, verschillende voorzieningen (parkeervergunning en pensioenopbouw) alsmede zijn zorgverzekering is beëindigd. Het college heeft het door verzoeker aangegeven spoedeisend belang niet betwist.
Gelet op het voorgaande neemt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van verzoeker bij een voorlopige voorziening aan en zal het verzoek verder inhoudelijk beoordelen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter overweegt dat het doel van de Wet brp is dat de daarin vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn. Gebruikers van deze gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat deze gegevens in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd.
6. In artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve uitschrijft als ingezetene uit de brp. Er moet voldaan zijn aan drie voorwaarden:
1) de ingezetene kan niet worden bereikt;
2) er is van de betrokkene geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen; en
3) na gedegen onderzoek kunnen geen verblijfsgegevens over de betrokkene worden achterhaald.
7. Uit rechtspraak blijkt verder dat bij de toepassing van de Wet brp aan de hand van een geheel van waarneembare omstandigheden moet worden beoordeeld waar iemand woont. Als na adresonderzoek gerede twijfel bestaat of iemand op een bepaald adres woont, is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij op dat adres woont.
De voorzieningenrechter overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat aan voorwaarde 2 van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp is voldaan. Verzoeker stelt dat hij nog steeds op het adres aan de [straatnaam] woont.
Ten aanzien van voorwaarde 1 (verzoeker kan niet worden bereikt) overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Het begrip ‘bereikbaar’ gaat over de vraag of de ingeschrevene in persoon bereikbaar is op het brp-adres. Uit het dossier blijkt wel dat verzoeker meerdere malen, onder meer op 5 april 2025 en 4 november 2025 heeft verklaard dat hij nog steeds op het brp-adres woont en dat het college per e-mail en per gewone post met verzoeker contact heeft, maar vast staat dat zij elkaar niet in persoon op het brp-adres hebben getroffen. Toezichthouders van het college hebben diverse malen geprobeerd een huisbezoek op het brp-adres af te leggen (onder meer op 1, 8 en 23 oktober en 1 december 2025, 23 januari, 17, 25, 30 en 31 maart en 1 en 7 april 2026), maar verzoeker was telkens niet op het adres aanwezig. Dit betekent dat verzoeker niet op het brp-adres bereikbaar was in de zin van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp. Dat verzoeker, zoals hij stelt, regelmatig afwezig is vanwege zijn werk, dat de woning niet is voorzien van een deurbel, dat hij bereid is een afspraak te maken met de controleurs en dat de controleurs hem kunnen bellen als zij voor de deur staan, zodat hij de deur kan openen, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft een groot aantal pogingen ondernomen om een huisbezoek af te leggen, zowel overdag als ’s avonds. Daarbij is in de meeste gevallen niemand op het adres aangetroffen. Op de enkele data dat wel iemand werd aantroffen, zoals op 1 en 8 oktober en 1 december 2025, werd verklaard dat de woning aan de [straatnaam] in [locatie] niet werd bewoond en/of dat verzoeker daar niet aanwezig was. Hieruit kan dus niet worden afgeleid dat verzoeker, zoals hij stelt, op het brp-adres bereikbaar is.
Ten aanzien van voorwaarde 3 (uit gedegen onderzoek kunnen geen verblijfgegevens over verzoeker worden achterhaald) overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Voor het uitvoeren van het adresonderzoek is de Circulaire Adresonderzoek brp ontwikkeld. In de Circulaire staat dat het doel van het onderzoek is om de feitelijke verblijfplaats van de persoon te achterhalen en de brp op orde te brengen, of te voorkomen dat er foute adresinschrijvingen in de brp terechtkomen. Volgens de Circulaire is het belangrijk om verder te kijken dan het adres in de brp. Om het feitelijke adres van de persoon te achterhalen, wordt als hoofdregel aanbevolen om ten minste twee verschillende bronnen - bijvoorbeeld nutsbedrijven, woningbouwcorporaties, woningeigenaren, werkgevers, uitkeringsinstanties en ziektekostenverzekeraars - te raadplegen. Het college heeft op zitting toegelicht dat na verschillende meldingen een onderzoek naar het brp-adres van verzoeker is gestart. Op verschillende data, zoals hierover onder 8.2 genoemd, hebben toezichthouders van het college geprobeerd een huisbezoek op het brp-adres af te leggen. De toezichthouders hebben verzoeker daar telkens niet aangetroffen. Bij pogingen tot huisbezoeken op 1 en 8 oktober en 1 december 2025 is door degene die bij de woning werd aangetroffen verklaard dat het brp-adres niet werd bewoond en/of dat verzoeker niet op het adres aanwezig was. Op 30 januari 2026 heeft het college hierop bij verzoeker nadere stukken opgevraagd om te kunnen vaststellen of verzoeker op het brp-adres woont. Het gaat daarbij om bankafschriften, loonstroken of uitkeringsspecificaties, jaarafrekeningen/maandelijkse rapporten van verbruik van gas, water, licht, bewijzen van online bestelde producten of maaltijden, ov-reishistorie dan wel andere bewijzen, vanaf 1 oktober 2025. Verzoeker heeft hierop op 10 februari 2026 verschillende stukken overgelegd, waaronder twee tijdlijnen en bankafschriften. Verzoeker heeft in deze tijdlijnen aangegeven dat hij sinds oktober/november 2025 op het adres aan de [straatnaam] verblijft, waarbij hij ook zijn dagindeling over de periode 24 november tot en met 5 december 2025 heeft vermeld. Op zitting heeft het college toegelicht dat verzoekers dagindeling op meerdere data niet overeenkomt met de door verzoeker overgelegde bankafschriften. Een voorbeeld hiervan is dat verzoeker heeft verklaard dat hij op 1 december 2025 overdag op het brp-adres thuis heeft gewerkt en ook ’s avonds in Rotterdam was, terwijl uit de bankafschriften blijkt dat verzoeker die dag meerdere pintransacties elders in Nederland heeft verricht (in Assen en in Waalwijk). Daarnaast heeft het college toegelicht dat na ontvangst van de bankafschriften, op 13 februari 2026 aan verzoeker is gevraagd wat de reden is dat bepaalde passages daarin zijn weggelakt en dat het college verzoeker ook heeft gevraagd om van elf bestellingen die eveneens deels gelakt zijn (van Bol.com, Coolblue en Takeaway.com, over de periode van 19 oktober 2025 tot en met 27 januari 2026) een bestelbevestiging over te leggen waar in ieder geval het bezorgadres op staat vermeld. In reactie hierop heeft verzoeker op 1 maart 2026 per mail gereageerd (en op zitting herhaald) dat deze weggelakte passages niet zien op de [straatnaam] . Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, heeft het college – mede gezien de gegeven toelichting op zitting – een gedegen onderzoek verricht.
Gelet op het voorgaande, kon bij het college in redelijkheid gerede twijfel bestaan over of verzoeker op het adres aan de [straatnaam] woont. Verzoeker heeft deze twijfel vooralsnog niet weggenomen. Uit de facturen van Evides, Coolblue en Ziggo voor water, stroom, gas en internet, die verzoeker heeft overgelegd, kan niet worden afgeleid dat verzoeker als eigenaar van de woning, ook feitelijk op het adres aan de [straatnaam] verblijft. Daarnaast heeft verzoeker wel een tweetal facturen overgelegd betreffende de levering van een bed en een lamp op het brp-adres, maar daartegenover staan de hiervoor onder 8.3. genoemde elf bestellingen waarover verzoeker heeft toegelicht dat die niet op het brp-adres zien. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college verzoeker daarom terecht uitgeschreven uit de brp.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de uitschrijving uit de brp in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: