ECLI:NL:RBROT:2026:9031

ECLI:NL:RBROT:2026:9031

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 24-07-2026
Zaaknummer ROT 26/5783
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Proces-verbaal
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster (een uitzendbureau) heeft van de minister een bevel tot preventieve stillegging van werkzaamheden opgelegd gekregen. De minister heeft namelijk overtredingen geconstateerd bij een ander uitzendbureau en ziet verzoekster als dezelfde werkgever. De voorzieningenrechter is er echter vooralsnog niet van overtuigd dat verzoekster dezelfde werkgever is. Belangenafweging. Het verzoek wordt toegewezen.

Uitspraak

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigden: mr. L.P.R. Gelissen en mr. P. de Haas),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: mr. M.M. de Lange).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 16 juni 2026 heeft de minister verzoekster een bevel tot preventieve stillegging van werkzaamheden gegeven voor de duur van 2 maanden. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Ook heeft zij gevraagd om een ordemaatregel door het bestreden besluit te schorsen in afwachting van de behandeling van het verzoek op zitting. Dit omdat het bevel tot preventieve stillegging op 17 juli 2026 in werking treedt.

2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een ordemaatregel afgewezen, omdat het verzoekschrift pas heel laat (op 9 juli 2026) is ingediend en het verzoek op relatief korte termijn op zitting kan worden behandeld.

3. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster, [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] (allen namens verzoekster), mr. S.A.Y. van Riel en [naam 4] (beiden vanuit [bedrijf 1] , namens verzoekster) en de gemachtigde van de minister.

5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

6. [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en verzoekster zijn uitzendbureaus die werknemers uitlenen aan [bedrijf 1] (een kalfsvleesslachterij en uitbeenderij).

7. [naam 3] (hierna: [naam 3] ) was sinds 1 september 2021 bestuurder van [bedrijf 2] De minister heeft [bedrijf 2] in mei 2023 een boete opgelegd wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Daarnaast heeft de minister [bedrijf 2] een waarschuwing preventieve stillegging van werkzaamheden gegeven.

8. [bedrijf 3] is op 23 september 2023 opgericht, met als bestuurder [bedrijf 4] [naam 3] was sinds diezelfde datum bestuurder van [bedrijf 4] De minister heeft [bedrijf 3] en [naam 3] op 12 mei 2026 een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de Wml. Daarnaast heeft de minister [bedrijf 3] een bevel tot preventieve stillegging van werkzaamheden gegeven voor de duur van 2 maanden. [bedrijf 3] en [naam 3] hebben hierover procedures gevoerd bij deze rechtbank.

9. Verzoekster is op 4 juni 2025 opgericht, met als bestuurders [bedrijf 5] en [bedrijf 4] (met [naam 3] als bestuurder van [bedrijf 4] ). Op 27 maart 2026 zijn [bedrijf 5] en [bedrijf 4] uitgetreden als bestuurder van verzoekster en zijn er 2 andere bestuurders aangetreden.

Waar gaat het in deze zaak om?

10. De minister heeft verzoekster een bevel tot stillegging van werkzaamheden gegeven voor de duur van 2 maanden. Dit bevel ziet op alle werknemers die verzoekster van [bedrijf 3] heeft overgenomen. De minister ziet [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en verzoekster (kort gezegd) als dezelfde werkgever, onder meer vanwege de betrokkenheid van [naam 3] bij alle 3 de bedrijven. De minister verwijst daarbij onder meer naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 november 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:9353). Verzoekster is het niet eens met het bevel tot stillegging. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

12. De minister heeft de voorzieningenrechter gevraagd om zich uit te spreken over de vraag of [bedrijf 1] belanghebbende is bij deze procedure. De rechtbank heeft [bedrijf 1] niet aangemerkt als belanghebbende en ook niet uitgenodigd voor de zitting. [bedrijf 1] is meegekomen met verzoekster en heeft tijdens de zitting gewezen op contractuele verplichtingen met verzoekster. Daarnaast is er volgens [bedrijf 1] sprake van ketenaansprakelijkheid in de zin van 7:616a van het Burgerlijk Wetboek. Volgens [bedrijf 1] is zij hoofdelijk aansprakelijk voor voldoening van het aan een werknemer verschuldigde loon. De voorzieningenrechter is er op dit moment niet van overtuigd dat [bedrijf 1] belanghebbende is in deze procedure. De contractuele relatie met verzoekster levert in ieder geval in bestuursrechtelijke zin een afgeleid belang op. De minister zal in bezwaar het punt van de ketenaansprakelijkheid echter nog moeten beoordelen.

13. De voorzieningenrechter stelt vast dat er door partijen op detailniveau wordt geprocedeerd, waarbij er 24 uur voor de zitting nog een uitgebreid verweerschrift is ingekomen waarop kort voor de zitting schriftelijk door verzoekster is gereageerd. Het verschil van mening bestaat onder meer over de vraag of er bij [bedrijf 3] sprake was van (ernstige) overtredingen en zo ja, of die naast boetebesluiten ook de bevoegdheid geven om (ook) aan verzoekster (zonder waarschuwing) een bevel tot stillegging op te leggen, en in verband hiermee over de vraag of er ten aanzien van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en verzoekster sprake is van dezelfde werkgever, rechtsopvolging, vereenzelviging of verschillende bedrijven. Op de zitting is het debat grondig voortgezet maar de standpunten over en weer hebben de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten gegeven voor een eenduidig en helder antwoord op deze vragen. Hij kan er wel iets over zeggen maar komt tot de conclusie dat ze zich niet goed lenen voor een spoedprocedure zodat ze in de bezwaarprocedure aan de orde dienen te komen. De voorzieningenrechter zal daarom de zaak beoordelen aan de hand van een belangenafweging.

14. Uit het dossier komt naar voren dat er bij [bedrijf 3] onderbetalingen of te late betalingen hebben plaatsgevonden. De bezwaarprocedure van [bedrijf 3] loopt nog. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat er sprake is van een of meer overtredingen in de zin van de Wml. De voorzieningenrechter kan echter niet met zekerheid zeggen of die overtredingen beboetbaar zijn en in welke mate, en of dit kan en moet leiden tot een bevel tot stillegging van de werkzaamheden.

De minister heeft zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat er sprake is van rechtsopvolging. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is. De minister heeft zich ook op het standpunt gesteld dat er sprake is van vereenzelviging en heeft gewezen op het doel van de Wml. De minister voert aan dat het niet mogelijk zou moeten zijn om de Wml te omzeilen via het oprichten van nieuwe bedrijven. De voorzieningenrechter ziet overeenkomsten met de eerdergenoemde zaak van de rechtbank Gelderland, maar er zijn ook verschillen met die uitspraak. De voorzieningenrechter vraagt zich op dit moment af of de overtredingen van [bedrijf 3] aan verzoekster kunnen worden toegerekend. Daarbij is van belang dat [naam 3] geen bestuurder meer is van verzoekster (ook niet indirect). Er zijn andere bestuurders, zodat niet zonder meer kan worden gezegd dat er sprake is van dezelfde werkgever. Het is wel opmerkelijk dat verzoekster is opgericht op het moment dat de arbeidsinspectie onderzoek ging verrichten naar [bedrijf 3] De minister zal in bezwaar nader moeten toelichten waarom [bedrijf 3] en verzoekster als dezelfde werkgever gezien moeten worden want de voorzieningenrechter vindt de motivering in het besluit op dit moment nog niet voldoende.

In het kader van de belangenafweging zal de voorzieningenrechter het belang van verzoekster zwaarder laten wegen dan het belang van de minister. Er is een groot belang om werknemers te beschermen tegen onderbetalingen. Er is echter niet gebleken dat er bij verzoekster zelf overtredingen hebben plaatsgevonden op grond van de Wml. Volgens de minister zijn er overtredingen geconstateerd bij [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , waardoor er een risico is op recidive. De voorzieningenrechter is er echter vooralsnog niet van overtuigd dat verzoekster dezelfde werkgever is, waardoor er ook vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de vraag of er sprake is van een dergelijk recidiverisico. De hoorzitting in bezwaar zal plaatsvinden op 1 september 2026. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom het belang van de minister zo zwaar moet wegen dat het besluit op bezwaar niet afgewacht zou kunnen worden. Hier staat tegenover dat verzoekster zwaar wordt getroffen door het bevel tot stillegging omdat ze 29 werknemers niet meer kan uitlenen, die niet allen zomaar vervangen kunnen worden, en niet aan haar contractuele verplichtingen kan voldoen. Het stilleggen van werkzaamheden gaat veel verder dan het opleggen van een boete, dat alleen een financieel belang raakt. Gelet op wat er in het besluit op bezwaar nog moet worden opgehelderd, vindt de voorzieningenrechter het stilleggen van de werkzaamheden in afwachting van dat besluit te ver gaan. Het is dus nu nog te vroeg om tot stillegging van de werkzaamheden over te gaan, maar dit zou alsnog kunnen plaatsvinden na de volledige heroverweging in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Dit betekent dat verzoekster per direct de door haar van [bedrijf 3] overgenomen werknemers mag uitlenen.

16. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarnaast krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

17. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot de bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand