RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11767853 CV EXPL 25-14400
datum uitspraak: 23 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Hiltermann Lease B.V.,
vestigingsplaats: Hoofddorp,
eiseres,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] , die handelt onder de naam [handelsnaam] ,
woonplaats: [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
gedaagde,
gemachtigde: mr. Z. Eker.
De partijen worden hierna ‘Hiltermann’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
2. De beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Volgens Hiltermann is er tussen haar en [gedaagde] een zakelijke leaseovereenkomst (huurkoopovereenkomst) tot stand gekomen voor een Mercedes Benz V-Klasse met kenteken [kentekennummer] . Omdat [gedaagde] de leasetermijnen niet betaalde, heeft Hiltermann die overeenkomst ontbonden. Zij eist in deze procedure een verklaring voor recht dat de overeenkomst ontbonden is (en zo nodig dat de kantonrechter de overeenkomst alsnog ontbindt), afgifte van de auto op straffe van een dwangsom, betaling van € 89.149,34 met contractuele rente, kosten voor eventuele inname van de auto, eventuele aangifte van verduistering en incassokosten. De gevorderde hoofdsom betreft vervallen en toekomstige leasetermijnen.
[gedaagde] betwist dat hij een overeenkomst met Hiltermann heeft gesloten. Volgens hem is sprake van identiteitsfraude en heeft iemand anders zijn gegevens gebruikt om de overeenkomst te sluiten. Meer in het bijzonder heeft [gedaagde] gesteld dat het systeem dat Hiltermann heeft gebruikt voor digitale ondertekening van de leaseovereenkomst in de gegeven omstandigheden onvoldoende betrouwbaar is, zodat deze niet gelijkgesteld kan worden met een ‘natte handtekening’, zoals omschreven in artikel 3:15a BW. Volgens [gedaagde] mag Hiltermann niet in de gelegenheid worden gesteld om bewijs te leveren van haar stellingen, omdat zij niet genoeg heeft gesteld over de totstandkoming van de overeenkomst.
Wat is de (tussen)beslissing?
De kantonrechter zal Hiltermann in de gelegenheid stellen om haar stellingen aan te vullen, gelet op het verweer van [gedaagde] . De kantonrechter licht hieronder toe om welke stellingen het gaat en waarom hij Hiltermann die gelegenheid geeft.
Voordat de kantonrechter ingaat op de specifieke stellingen, merkt hij op dat (nog) niet vast staat dat sprake is van identiteitsfraude. [gedaagde] heeft hier wel aangifte van gedaan, maar een aangifte is niet meer dan het optekenen van een eigen verklaring van de aangever.
Het contact met de tussenpersoon
Hiltermann heeft een uitdraai overgelegd van de aanvraag voor de leaseovereenkomst die is gedaan door De Lease Financier. Volgens Hiltermann heeft [gedaagde] via deze intermediair de aanvraag gedaan en heeft hij aan deze intermediair (via WhatsApp) gegevens verstrekt, waaronder zijn naam en adresgegevens, e-mailadres, een kopie van zijn identiteitsbewijs en een kopie van zijn bankpas. Hiltermann heeft een kopie van het identiteitsbewijs en de bankpas overgelegd.
[gedaagde] heeft betwist dat hij contact heeft gehad met de genoemde intermediair en dat hij zijn gegevens heeft toegezonden. Hij heeft echter geen (mogelijke) verklaring gegeven voor het feit dat Hiltermann – volgens haar via die intermediair – over een kopie van het rijbewijs van [gedaagde] en een kopie van de bankpas van zijn eenmanszaak beschikt. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat het om vervalsingen zou gaan. Hij heeft niet gesteld dat iemand anders zijn rijbewijs en bankpas in zijn bezit heeft gekregen en heeft kunnen gebruiken en ook is niets gesteld over acties naar aanleiding van dit ongeoorloofde gebruik, zoals een aangifte of melding van vermissing van deze stukken en/of het blokkeren van zijn bankpas.
De kantonrechter vindt dat in deze omstandigheden, met een zo weinig concrete betwisting van de kant van [gedaagde] , Hiltermann de gelegenheid moet krijgen om haar stellingen over de werkzaamheden van de intermediair en zijn contact met [gedaagde] aan te vullen en zo nodig nader te onderbouwen. In die zin wijkt deze zaak ook af van de (meermaals) door [gedaagde] aangehaalde ‘BMW-zaak’ (waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 oktober 2025 arrest heeft gewezen; ECLI:NL:GHARL:2025:6520). In de BMW-zaak had de gedaagde partij heel concreet uitgelegd waarom zij niet degene kon zijn die de aanvraag had gedaan, omdat zij in het buitenland verbleef. Zij had ook concreet uitgelegd wie gebruik had gemaakt van haar gegevens en hoe dat gegaan was. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. In deze omstandigheden vindt de kantonrechter het niet redelijk om, in een zaak in eerste aanleg waarin bij dupliek pas een beroep is gedaan op het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, de zaak af te doen op het oordeel dat Hiltermann niet zou hebben voldaan aan haar stelplicht.
De iDIN-controle
Hiltermann mag ook nadere informatie geven over de iDIN-controle, waarmee de identiteit van [gedaagde] is vastgesteld. Dit is weliswaar een controle die wordt uitgevoerd voordat de overeenkomst ter ondertekening (en daarmee aanvaarding) wordt toegestuurd, maar in het geheel wel een omstandigheid die van belang kan zijn bij het oordeel of tussen Hiltermann en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen.
Ook hier geldt dat [gedaagde] wel heeft betwist dat er een iDIN-controle is geweest, maar dat het bij die eenvoudige betwisting blijft. [gedaagde] heeft er verder alleen op gewezen dat Hiltermann geen bewijs heeft overgelegd van de bankinstelling die is gebruikt voor de controle, om welk rekeningnummer het gaat en dat [gedaagde] toegang had tot die rekening. Hiltermann mag hier alsnog nadere informatie over geven, hoewel van haar niet kan worden verwacht dat zij bewijs levert dat [gedaagde] toegang had tot de desbetreffende bankrekening. Als de bankrekening op zijn naam staat, mag zij ervan uitgaan gaan dat hij daar ook toegang toe had. Als [gedaagde] na opgave van het rekeningnummer meent dat hij geen toegang had tot die rekening, is het aan hem om toe te lichten en zo nodig te bewijzen waarom niet.
[gedaagde] suggereert onder randnummer 46 van zijn conclusie van dupliek dat een fraudeur onder valse voorwendselen een iDIN-verificatie kan hebben laten uitvoeren door [gedaagde] . Op zichzelf is dat juist, maar [gedaagde] stelt niet dat dit ook werkelijk het geval is geweest (wat in de BMW-zaak wel zo was) en hoe dit dan heeft kunnen gebeuren. Deze stelling kan er dan ook niet toe leiden dat Hiltermann haar stellingen niet verder mag toelichten en onderbouwen.
De afgifte van de auto
Hiltermann heeft aangeboden om te bewijzen dat de auto aan [gedaagde] is meegegeven. [gedaagde] heeft in het algemeen wel gesteld dat hij niet beschikt over de auto, maar heeft weinig concreets gezegd over de afgifte. Hij heeft niet betwist dat hij een bedrag van € 15.000,- aan Groenzicht auto’s heeft betaald (en dat Hiltermann het resterende bedrag van € 65.000,- heeft overgemaakt, zodat daarmee in totaal de koopprijs van € 80.000,- is voldaan). [gedaagde] vindt dat Hiltermann schriftelijk bewijs van de identiteitscontrole had moeten overleggen, zoals een getuigenverklaring en dat hij had moeten vermelden door welke werknemer de controle is uitgevoerd en wie de auto aan hem heeft meegegeven.
Ook hier geldt dat Hiltermann, in dit stadium in de procedure en met de weinig concrete betwistingen van [gedaagde] , haar stellingen nader mag aanvullen en onderbouwen.
De voortgang van de zaak
De kantonrechter verwijst de zaak naar de hieronder te noemen rolzitting. Hiltermann mag op die datum een akte nemen om haar stellingen aan te vullen en zo nodig te onderbouwen. [gedaagde] mag daar vervolgens op reageren. Daarna zal de kantonrechter een mondelinge behandeling plannen, zodat hij het verhaal van partijen zelf (nog eens) kan horen en zo nodig nog aanvullende vragen kan stellen. Partijen kunnen in hun aktes hun verhinderingen voor de komende zes maanden opgeven.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 24 februari 2026 om 11.30 uur voor het nemen van een akte door Hiltermann,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
51909