RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/4074 en 25/4075
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [naam] ).
Deze uitspraak gaat over de terugvordering van een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) en de oplegging van een boete van € 40,-. Volgens het UWV heeft eiseres de inlichtingenplicht geschonden omdat zij een wijziging in haar leefsituatie niet heeft doorgegeven. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de onverschuldigd betaalde toeslag van eiseres heeft teruggevorderd en een boete van € 40,- aan eiseres heeft opgelegd.
Procesverloop
Met het besluit van 6 januari 2025 (het primaire besluit 1, ROT 25/4075) heeft het UWV de onverschuldigd betaalde toeslag over de periode van 26 januari 2022 tot en met
30 april 2024 ter hoogte van € 3.861,69 bruto van eiseres teruggevorderd.
Met het besluit van eveneens 6 januari 2025 (het primaire besluit 2, ROT 25/4074) heeft het UWV een boete ter hoogte van € 40,- aan eiseres opgelegd vanwege schending van de inlichtingenplicht.
Eiseres heeft tegen de primaire besluiten bezwaar ingediend.
Met de besluiten van 28 april 2025 (het bestreden besluit 1, ROT 25/4075 en het bestreden besluit 2, ROT 25/4074) heeft het UWV de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 en 2.
Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op de zitting van 15 juni 2026 behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de zaakwaarnemer van de gemachtigde van eiseres, mr. O.C. Bozbiyik. De gemachtigde van het UWV is met bericht van verhindering niet verschenen.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
Eiseres ontvangt met ingang van 28 oktober 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Aan eiseres is, op haar aanvraag, vanaf
8 oktober 2017 toeslag op grond van de TW toegekend, naar de norm ongehuwd alleenstaande. In het toekenningsbesluit staat onder meer vermeld dat eiseres veranderingen in haar leefsituatie, zoals een nieuwe medebewoner, binnen één week aan het UWV moet doorgeven.
Met een besluit van 29 april 2024 is de toeslag van eiseres per 1 mei 2024 beëindigd, omdat volgens de informatie van het UWV eiseres is gaan samenwonen.
Naar aanleiding van een externe melding heeft een handhavingsonderzoek plaatsgevonden naar vermeende werkzaamheden die door eiseres uitgevoerd zouden worden. De rapporteur heeft zijn bevindingen in het Onderzoeksrapport Handhaving Inspectie van 16 september 2024 (onderzoeksrapport) neergelegd, waarin hij tot de conclusie komt dat niet gebleken is dat eiseres werkzaamheden verrichte, maar dat zij wel per 19 december 2018 gehuwd is en dat haar echtgenoot vanaf 26 januari 2022 op haar adres woont. Eiseres had geen melding gedaan van deze wijziging bij het UWV.
Met het primaire besluit 1 heeft het UWV de toeslag over de periode van
1 januari 2022 tot en met 30 april 2024 verlaagd van de norm alleenstaande naar (on)gehuwd samenwonend en het teveel betaalde bedrag over de periode van
26 januari 2022 tot en met 30 april 2024 van € 3.861,69 bruto van eiseres teruggevorderd, omdat zij de wijziging niet aan het UWV heeft doorgegeven. Daarnaast is met het primaire besluit 2, met inachtneming van haar financiële situatie, een boete van € 40,- aan eiseres opgelegd vanwege schending van de inlichtingenplicht.
Met de bestreden besluiten heeft het UWV de primaire besluiten gehandhaafd.
Standpunt eiseres
3. Eiseres voert aan dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Zij stelt daartoe dat haar partner niet beschikte over inkomsten en geen rechtmatig verblijf had, zodat de wijziging geen invloed had op de ontvangen toeslagen. Zij voldeed aan de vereisten voor toeslag en het UWV heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Daarnaast stelt eiseres dat haar gegevens zijn verwerkt in Suwinet, zodat het UWV de relevante informatie had kunnen raadplegen. Voor zover de inlichtingenplicht wel is geschonden, stelt eiseres zich op het standpunt dat zij in verminderde mate verwijtbaar heeft gehandeld, omdat zij niet wist dat haar partner een relevante wijziging in de omstandigheden voor haar recht op toeslag zou zijn. Daarnaast voert eiseres aan dat het UWV wegens dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Zij stelt daartoe dat de terugvordering ernstige financiële en sociale nadelige gevolgen heeft, omdat zij een kwetsbaar persoon is die afhankelijk is van de toeslag. Ten aanzien van de boete stelt eiseres dat het UWV met een waarschuwing had kunnen volstaan, omdat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld, geen sprake is van nadeel en geen sprake is van recidive.
Beoordeling door de rechtbank
4. De relevante wettelijke bepalingen staan in de bijlage van deze uitspraak.
Toepassing artikel 3 TW
Op grond van artikel 3 van de TW heeft een gehuwde wiens echtgenoot is geboren na 31 december 1971 vanaf 1990 geen recht op toeslag, tenzij tot zijn huishouden een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort dat jonger is dan 12 jaar.
Vast staat dat eiseres vanaf 26 januari 2022 gehuwd samenwoont met haar echtgenoot die is geboren na 31 december 1971 en dat tot haar huishouden geen kind jonger dan 12 jaar behoort. Op grond van artikel 3 van de TW bestaat daarom geen recht op een toeslag. Of de echtgenoot van eiseres al dan niet (voldoende) inkomen heeft is daarbij niet relevant. Ook de stelling van eiseres dat haar echtgenoot geen verblijfstitel heeft, maakt gelet op artikel 3 van de TW niet dat zij recht had op toeslag. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat artikel 3 van de TW buiten toepassing moet worden gelaten. De TW is een wet in formele zin, zodat slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever op de hoogte is geweest van mogelijk onevenwichtige effecten van invoering van artikel 3 TW. Niet gebleken is dat de door eiseres genoemde omstandigheden niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, zodat er geen aanleiding is voor het oordeel dat toepassing van artikel 3 van de TW achterwege moet blijven.
Schending inlichtingenplicht
Op grond van artikel 12, eerste lid, van de TW is degene die aanspraak maakt op toeslag verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties.
De rechtbank is van oordeel dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij een wijziging van haar leefsituatie aan het UWV moest melden. Eiseres is op deze verplichting gewezen in het toekenningsbesluit van 15 oktober 2018. Daarnaast staat een overzicht van de plichten die verbonden zijn aan het ontvangen van een toeslag op de website van het UWV. Het doorgeven van wijzigingen kan met het (digitaal) formulier ‘Wijzigingen doorgeven’ worden gedaan. Dat eiseres van deze werkwijze op de hoogte was, blijkt ook uit een ontvangstbevestiging van het UWV van 20 juli 2021, waarin staat vermeld dat eiseres een verblijf in het buitenland heeft doorgegeven aan het UWV. Met die ontvangstbevestiging is eiseres nogmaals gewezen op haar verplichting om wijzigingen in haar situatie aan het UWV door te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen reden om aan te nemen dat eiseres de wijziging in haar leefsituatie niet heeft kunnen melden.
Eiseres heeft niet uit eigen beweging, via een wijzigingsformulier of op een andere manier aan het UWV de wijziging in haar leefsituatie doorgegeven. Dat eiseres de wijziging wel direct aan de gemeente heeft doorgegeven maakt niet dat zij er op mocht vertrouwen dat het UWV die informatie via de gemeente, of via Suwinet, zou krijgen en dat om die reden de inlichtingenplicht niet gold. Uit vaste rechtspraak volgt dat het feit dat het UWV kennis had kunnen nemen van de wijziging in haar leefsituatie, niet betekent dat eiseres de wijziging niet had moeten doorgeven. Een wijziging in de leefsituatie is op grond van artikel 12, eerste lid, van de TW en artikel 4a van de Regeling uitzondering inlichtingenplicht immers niet uitgezonderd van de inlichtingenverplichting.
Door van de wijziging in de leefsituatie per 26 januari 2022 geen opgave te doen aan het UWV heeft eiseres de in artikel 12 van de TW neergelegde inlichtingenplicht geschonden. De stelling van eiseres dat schending van de inlichtingenplicht haar in verminderde mate kon worden verweten, omdat zij niet wist dat haar partner een relevante wijziging in de omstandigheden zou zijn, wordt niet gevolgd. De in artikel 12, eerste lid, van de TW neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt.
Het UWV heeft dan ook op goede gronden het recht op toeslag ingetrokken vanaf
1 januari 2022 tot en met 30 april 2024 en op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW de ten onrechte over de periode van 26 januari 2022 tot en met 30 april 2024 verleende toeslag teruggevorderd.
De dringende redenen
De rechtbank onderkent dat een intrekking en terugvordering van (het recht op) toeslag tot grote financiële gevolgen kan leiden. Dat brengt echter niet met zich dat het UWV in alle gevallen om die reden van terugvordering zou moeten afzien. Het UWV heeft immers de wettelijke plicht om ten onrechte verstrekte uitkeringen en toeslagen terug te vorderen, het UWV heeft hierin geen ‘keuzevrijheid’. Het UWV kan alleen als daartoe dringende redenen bestaan geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering afzien.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep de uitleg van de dringende reden verruimd. De dringende reden moet worden opgevat als een open norm waarbinnen het UWV, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening (hier: intrekking) en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het UWV of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar zij wel heeft moeten begrijpen dat zij te veel aan uitkering ontving.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV in de situatie van eiseres zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen.
Het UWV heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van eiseres geen sprake is van dringende redenen om af te zien van herziening en terugvordering van de toeslag. Het UWV daarbij terecht van belang geacht dat eiseres, zoals hiervoor is overwogen, de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet op de voorgeschreven wijze en tijdig aan het UWV door te geven dat zij niet meer onder de norm ongehuwd alleenstaande viel. Van een nalatigheid van het UWV is de rechtbank niet gebleken. Nadat bij het UWV bekend werd dat eiseres op grond van artikel 3 van de TW geen recht had op toeslag, is de toeslag per 1 mei 2024 beëindigd en is vanaf 26 januari 2022 (datum gehuwd samenwonen) de te veel ontvangen toeslag teruggevorderd. Dat de echtgenoot van eiseres geen inkomsten heeft, dat hij sinds 4 april 2024 geen verblijfsvergunning meer heeft en dat eiseres een (financieel) kwetsbaar persoon is, leveren geen dringende redenen op om van intrekking en terugvordering af te zien. Dit zijn wel omstandigheden die het UWV moet betrekken bij de vraag of het UWV het openstaande bedrag kan invorderen. Dan moet immers de draagkracht van eiseres worden vastgesteld en heeft zij ook bescherming op grond van de regels met betrekking tot de beslagvrije voet op grond van het burgerlijk recht. De rechtbank wijst er wat dit betreft ook op dat het UWV rekening houdt met de financiële situatie van eiseres door de aflossing te beperken tot € 50,- per maand, zoals vastgelegd in het besluit van 10 maart 2025. Niet is gesteld of gebleken dat eiseres hierdoor in financiële nood is geraakt.
De boete
8. Voor het opleggen van een boete is de bewijslast zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. Dit betekent dat het UWV moet aantonen dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling van haar gewijzigde leefsituatie te doen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV aangetoond dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden en eiseres hiervan ook een verwijt kan worden gemaakt. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen in rechtsoverwegingen 5. en 6. besproken is. Vanwege het schenden van de inlichtingenplicht heeft het UWV eiseres een boete van € 40,- opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de situatie van eiseres dat zij vanwege haar draagkracht een toeslag ontvangt en is om die reden geen 50% van het benadelingsbedrag gevorderd. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen redenen om van boeteoplegging af te zien. Artikel 2aa van het Boetebesluit socialezekerheidswetten geeft aan wanneer wordt volstaan met een waarschuwing. De daarin beschreven situaties doen zich in het geval van eiseres niet voor. Het benadelingsbedrag is immers hoger dan € 150,- en eiseres heeft niet uit zichzelf melding gemaakt van haar gewijzigde leefsituatie.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de toeslag over de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 april 2024 heeft ingetrokken en over de periode van 26 januari 2022 tot en met 30 april 2024 heeft teruggevorderd. Ook mocht het UWV een boete opleggen van € 40,-. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Toeslagenwet
Artikel 3
Vanaf 1990 heeft een gehuwde wiens echtgenoot is geboren na 31 december 1971 geen recht op toeslag, tenzij tot zijn huishouden een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort dat jonger is dan 12 jaar.
Artikel 11a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 12
1. Degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2 Op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt de meerderjarige persoon die in dezelfde woning als de toeslaggerechtigde zijn hoofdverblijf heeft, als bedoeld in artikel 2, zevende lid, desgevraagd alle gegevens en inlichtingen over die voor de beoordeling van de aanspraak op toeslag van belang kunnen zijn.
Artikel 14a
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 12. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 12, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 12, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 12, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan toeslag is ontvangen.
(…)
4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 12, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
(…)
8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 20, eerste lid
De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
Artikel 20, vijfde lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2
1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.
2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:
a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;
b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;
c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;
d. de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of
e. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.
Artikel 2aa. Waarschuwing
1. Het bestuursorgaan kan afzien van een bestuurlijk boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien:
a. de overtreding van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag of het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,-, of
b. de betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.
2. Een redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet langer dan 60 dagen nadat de inlichtingen hadden behoren te worden verstrekt.