RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5455
(gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een urgentieverklaring. Verzoekster is het er niet mee eens dat het college haar aanvraag heeft afgewezen en verzoekt om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 april 2026 heeft het college de aanvraag voor een urgentieverklaring afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door [naam] (verzoeksters zus) de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaak?
3. Verzoekster heeft op 29 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring voor de urgentiegrond “Woonlasten”. Verzoekster heeft voorafgaand aan deze aanvraag haar woning verkocht omdat ze de vaste lasten niet meer kon betalen. Op dit moment verblijft verzoekster op verschillende adressen (bij haar ouders, zus, vrienden en kennissen). Verzoekster heeft een driejarige dochter met haar ex-partner. Afgesproken is dat de dochter de ene week samen met verzoekster is en de andere week bij de ex-partner. In de weken dat de dochter bij verzoekster is, verblijven verzoekster en haar dochter bij verzoeksters ouders. Verzoekster geeft aan dat dit geen ideale situatie is, omdat haar vader terminaal ziek is en een karakterverandering heeft doorgemaakt. Daarnaast kampt verzoekster met medische problematiek (depressie) en een taalontwikkelingsstoornis.
Het college heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring in het bestreden besluit afgewezen, omdat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor de urgentiegrond Woonlasten. Zij heeft geen zelfstandige woning op haar naam staan, zodat zij ook geen woonlasten heeft waardoor zij niet meer in haar woning kan blijven wonen. Het college heeft verder geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit en wil met het verzoek om een urgentieverklaring bereiken dat zij wordt behandeld als ware in het bezit van een urgentieverklaring.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Op grond van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 komt een woningzoekende in aanmerking voor een urgentieverklaring op de grond Woonlasten indien de woningzoekende op dit moment zelfstandige woonruimte bewoont en de woonlasten van de woningzoekende onevenredig zijn in relatie tot het inkomen.
Het is niet in geschil dat verzoekster ten tijde van de aanvraag geen eigen woning en daarmee geen woonlasten had, zodat ook geen sprake was van een onevenredige verhouding tussen woonlasten en haar inkomen. Het college heeft daarom terecht geconcludeerd dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor de urgentiegrond Woonlasten.
5. Voor zover verzoekster daarnaast heeft aangevoerd dat aanspraak bestaat op een urgentieverklaring op andere gronden, gelet op haar persoonlijke situatie, is de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel dat het college terecht het standpunt inneemt dat dit niet het geval is. Ten aanzien van een urgentieverklaring op medische gronden, heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet. Niet gesteld of gebleken is dat zij voor haar psychische klachten op het moment van de aanvraag minimaal twaalf maanden onder behandeling was bij een psycholoog of psychiater, wat op grond van de verordening is vereist. Verzoekster heeft ter zitting verder aangevoerd dat de situatie bij haar ouders niet veilig is, nu haar vader door zijn ziekte een karakterverandering heeft doorgemaakt. Voor zover verzoekster hiermee stelt dat een urgentieverklaring dient te worden toegekend op de grond van geweld en bedreiging, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de gestelde voorwaarde dat er een verklaring van de politie is waaruit blijkt dat zij daar niet meer kan verblijven. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het college vooralsnog terecht heeft geconcludeerd dat verzoekster niet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring voldoet.
6. Ondanks het niet voldoen aan de voorwaarden voor urgentie kan toch een urgentieverklaring worden verleend als er aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarvan is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in het geval van verzoekster geen sprake. Niet is gebleken dat de weigering van de urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie als bedoeld in de hardheidsclausule. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster in een moeilijke situatie zit en dat zij veel zorgen heeft over de situatie bij haar ouders. Het is dan ook zeer begrijpelijk dat verzoekster graag een plek voor zichzelf wil waar zij met haar dochter terecht kan. Maar, de voorzieningenrechter constateert ook dat deze situatie in de kern niet verschilt van de situatie waarin (veel) andere woningzoekenden met minderjarige kinderen verkeren na een relatiebreuk waarbij de andere ouder over passende woonruimte beschikt. Nu verzoekster vooralsnog bij familie en kennissen kan verblijven, is vooralsnog geen sprake van een onhoudbare situatie. Het college hoefde in de situatie van verzoekster dan ook in redelijkheid geen reden te zien voor toepassing van de hardheidsclausule.
7. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Op zitting is besproken dat verzoekster momenteel staat ingeschreven bij Woonnet Rijnmond (Woonnet). Verzoekster stond oorspronkelijk ingeschreven sinds 2017. Op dit moment staat haar inschrijfduur echter geregistreerd vanaf 2024. De reden hiervoor is dat verzoekster in het verleden per ongeluk een onjuist adres heeft doorgegeven, waardoor haar eerdere inschrijfjaren zijn komen te vervallen. Verzoekster heeft een taalontwikkelingsstoornis, waardoor de fout mogelijk onbedoeld is ontstaan. Verzoekster heeft op 30 april 2026 bij Woonnet een verzoek ingediend om de inschrijfdatum te wijzigen, maar heeft op zitting verklaard dat zij daarna niets meer heeft vernomen van Woonnet. De gemachtigde van het college heeft naar aanleiding van de zitting in deze procedure eveneens Woonnet verzocht om de situatie van verzoekster opnieuw te beoordelen en te bezien of iets kan worden gedaan met betrekking tot herstel van de oorspronkelijke inschrijfduur. Op 21 juli 2026 heeft het college laten weten dat zij geen reactie van Woonnet heeft ontvangen. Verzoekster heeft hierop de voorzieningenrechter verzocht om uitspraak te doen. Bij deze stand van zaken wil de voorzieningenrechter partijen meegeven om te bekijken of zij samen met Woonnet tot nadere afspraken over aanpassing van de inschrijfdatum kunnen komen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen urgentieverklaring krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: