ECLI:NL:RBROT:2026:9149

ECLI:NL:RBROT:2026:9149

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer ROT 25/5437 en 25/5445
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en de beëindiging van de uitkering die hij op grond van de Ziektewet (ZW) ontving. De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV terecht de WIA-aanvraag heeft afgewezen en de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd.

Uitspraak

ROT 25/5437 – de WIA-beoordeling

De zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Eiser stelt daartoe dat de verzekeringsarts onvoldoende aandacht heeft besteed aan de anamnese en ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector.

De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 23 april 2024 dat de verzekeringsarts een uitgebreide anamnese heeft afgenomen, waarbij de situatie van eiser voldoende duidelijk en inzichtelijk wordt beschreven. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 mei 2025 blijkt dat gedurende de bezwaarprocedure opnieuw een uitgebreide anamnese is afgenomen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd, de hoorzitting van 4 april 2025 bijgewoond en medische informatie bij de huisarts opgevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft daarmee het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.

Het gegeven dat de verzekeringsarts geen (nadere) medische informatie heeft opgevraagd bij de behandeld sector maakt dit oordeel niet anders. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) volgt dat een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin een behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene of indien de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerde afwijkende opvatting heeft over zijn beperkingen. Uit de rapportage van 9 mei 2025 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op het verzoek van eiser daartoe, medische informatie heeft opgevraagd bij de huisarts. Deze informatie is vervolgens meegenomen in de heroverweging in bezwaar. Uit hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, is niet gebleken dat de behandelend sector een afwijkende opvatting over zijn beperkingen hanteerde. Uit het dossier blijkt ook niet dat eiser ten tijde van de datum in geding een behandeling volgde. Nadere raadpleging van de behandeld sector was daarom niet aangewezen.

ICF-model

7. Eiser voert aan dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet voldoet aan de daaraan gestelde voorwaarden, omdat zijn psychische problematiek, verwardheid, moeheid en stress slechts beperkt is verwerkt bij deze beoordeling. Eiser is van mening dat rekening moet worden gehouden met zijn persoonlijke situatie en verwijst hierbij naar het ICF-model. Eiser voert aan dat de verzekeringsarts zijn relevante persoonlijke en externe factoren onvoldoende heeft meegenomen in de beoordeling.

De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. De Raad heeft in de uitspraak van 29 oktober 2025 uitleg gegeven aan de betekenis van het ICF-model in de beoordeling van een WIA-aanvraag. De Raad bevestigt in deze uitspraak dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van een WIA-aanvraag wordt bepaald door de Wet WIA en het Schattingsbesluit. Uit de Wijziging Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten blijkt dat de beoordeling van mogelijkheden om te functioneren plaatsvindt aan de hand van het ICF-model. Voor wat betreft de externe en persoonlijke omstandigheden bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen, worden deze alleen meegenomen in de beoordeling voor zover deze van invloed zijn op de gezondheidstoestand van een individu. Een verzekeringsarts kan kenmerken van de psychosociale context dus meenemen in de beoordeling voor zover deze van invloed zijn op het functioneren.

Uit de verschillende rapportages van de verzekeringsartsen, waaronder de rapportage van 9 mei 2025, blijkt dat onderzoek is gedaan naar de gezondheidstoestand van eiser, waaronder zijn vermoeidheidsklachten, angst- en paniekaanvallen en persoonlijkheidsstoornissen. Daartoe zijn voor eiser beperkingen opgenomen in rubriek 1, 2 en 6, Persoonlijk functioneren en Sociaal functioneren en Werktijden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee afdoende rekening gehouden met de psychosociale context. Eiser heeft daarnaast evenmin onderbouwd welke persoonlijke en externe omstandigheden door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in de beoordeling zijn betrokken.

De belastbaarheid van eiser

8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op energetische gronden een urenbeperking had moeten aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 9 mei 2025 gemotiveerd toegelicht dat eiser niet voldoet aan de vereisten uit de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ om in aanmerking te komen voor een urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat met de aanvullende beperkingen die in de bezwaarprocedure zijn vastgesteld voldoende rekening is gehouden met de problematiek en vermoeidheid van eiser. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat een urenbeperking op energetische gronden alleen kan worden aangenomen als sprake is van een verstoring van de energiehuishouding. Daarbij heeft hij afdoende toegelicht dat geen van de drie gevallen waarin een dergelijke verstoring zich kan voordoen, in de situatie van eiser van toepassing is.

De door eiser in beroep ingediende rapportages van [stichting] van 8 april 2025 en 13 maart 2026 maken dit oordeel niet anders. Deze rapportages zijn opgesteld in het kader van de Participatiewet. Voor de beoordeling in het kader van de WIA en ZW wordt een ander beoordelingskader toegepast dan voor de beoordeling op grond van de Participatiewet. Daarnaast is het rapport van [stichting] van 13 maart 2026 ruim na de datums in geding opgesteld.

De geschiktheid van de geduide functies

9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van eiser zouden overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies binnen de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid vallen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de functie Productiemedewerker (SBC-code 111180) ongeschikt is. In de FML van 9 mei 2025 zijn voor eiser geen beperkingen aangenomen ten aanzien van afleiding door anderen. Uit de Resultaat functiebeoordeling van 30 juli 2025 blijkt dat samenwerken met een eigen afgebakende deeltijd in de functie voorkomt, waartoe eiser volgens de FML in staat is. Daarnaast blijkt uit de functieomschrijving niet dat de werkinhoud onvoorspelbaar is. De rechtbank acht de functie Assemblagemedewerker metaalwaren (SBC-code 264140) ook passend. In de Resultaat functiebeoordeling is geen kenmerkende belasting van het handelingstempo aangenomen. Daarnaast zijn in de FML geen beperkingen aangenomen ten aanzien van wisselende diensten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de functies Assemblage medewerker elektrotechnische producten (SBC 267041) en Inpakker (SBC 111190) in strijd zijn met de FML-voorwaarde dat de werksituatie in grote lijnen voorspelbaar moet zijn voor wat betreft omstandigheden en taakinhoud. Uit de functieomschrijvingen blijkt niet dat in deze functies sprake is van wisselende werkomstandigheden of taakinhoud. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat de functie Telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound) / Medewerker KCC (SBC 315174) in strijd is met de FML-voorwaarde dat doorgaans weinig of geen rechtstreeks klantcontact vereist is (item 2.12.1). Uit de basisinformatie CBBS blijkt dat deze voorwaarde ziet op face-to-face contact met externe klanten. Telefonisch contact valt dus niet onder deze voorwaarde.

10. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij verdiende voordat hij ziek werd, geeft een verlies aan verdiencapaciteit van 0%. De rechtbank is hiermee van oordeel dat het UWV terecht de WIA-aanvraag van eiseres per 26 april 2024 heeft afgewezen.

ROT 25/5445 - de ZW-beoordeling

11. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de ZW-uitkering per 28 november 2024, omdat eiser per die datum volgens het UWV geschikt is voor zijn arbeid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Een uitzondering doet zich voor wanneer de verzekerde, na het volbrengen van de voor hem toepasselijke wachttijd op grond van de Wet WIA, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in ander werk is hervat. In dat geval geldt als "zijn arbeid": de aan de verzekerde voorgehouden functies bij de beoordeling van de aanspraak op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties zijn geselecteerd in het kader van de Wet WIA.

Gelet op het hiervoor vermelde beoordelingskader vormen de in het kader van de Wet WIA opgestelde FML en de daarop gebaseerde functies het uitgangspunt in deze zaak. Daarbij staat in het bijzonder ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of het de getrokken conclusie kan dragen. Van het opnieuw vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid is in deze procedure geen sprake. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de FML van 9 mei 2025 moet worden aangepast en de op basis daarvan geselecteerde functies niet (meer) passend zijn, laat de rechtbank de bespreking van die gronden daarom hier achterwege.

De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek

12. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het medisch onderzoek van de arts in het kader van de ZW-beoordeling onzorgvuldig is geweest omdat de verzekeringsarts onvoldoende aandacht heeft besteed aan de anamnese en geen informatie bij de behandelend sector heeft opgevraagd. Uit de rapportage van de arts van 29 november 2024, welke getoetst en akkoord is bevonden door een verzekeringsarts, kan worden opgemaakt dat een uitgebreide anamnese door de arts is afgenomen. Daarbij komt dat uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 mei 2025 volgt dat in het kader van de heroverweging in bezwaar ook een uitgebreide anamnese is afgenomen. In beroep is niet gebleken dat de anamnese van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist of onvolledig moet worden gehouden.

Zoals de rechtbank in het kader van de WIA-beoordeling heeft overwogen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de bezwaarprocedure medische informatie opgevraagd bij de huisarts. Deze informatie is vervolgens ook betrokken bij de heroverweging die in het kader van de ZW heeft plaatsgevonden. Nadere raadpleging van de behandeld sector was niet aangewezen omdat niet gebleken is dat de behandelend sector een afwijkende opvatting over eisers beperkingen hanteerde en eiser geen behandeling volgde. De rechtbank ziet daarom ook geen reden om het medisch onderzoek op deze grond onzorgvuldig te achten.

Medische beoordeling

13. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser op de datum in geding en meer beperkingen had moeten aannemen. Om die reden volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat per datum in geding II sprake is van een toename van zijn medische beperkingen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep per datum in geding II onterecht geen beperking in de duurbelastbaarheid heeft vastgesteld en onvoldoende heeft stilgestaan bij de beoordelingspunten uit de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de gecombineerde rapportage van 9 mei 2025 bij de beoordeling van de geclaimde urenbeperking in het kader van de ZW-beoordeling verwezen naar zijn beoordeling van diezelfde claim in het kader van de WIA-beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij voldoende gemotiveerd toegelicht dat geen medische onderbouwing is voor een urenbeperking op energetische gronden en dat daarmee ook geen aanleiding is voor het aannemen van een urenbeperking op preventieve gronden.

Geschiktheid van de geduide functies

14. In de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 augustus 2025 is voldoende toegelicht dat eiser geschikt is voor de functies die voor de WIA zijn geduid, te weten: Productiemedewerker industrie, Assemblagemedewerker metaalwaren en Assemblage medewerker elektrotechnische producten.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het UWV eiser terecht met ingang van 14 augustus 2025 in staat heeft geacht tot het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW, zodat hij per die datum niet langer voor een ZW-uitkering in aanmerking komt.

Conclusie en gevolgen

15. De beroepen tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op de bezwaren zijn niet-ontvankelijk.

16. De beroepen tegen de bestreden besluiten I en II zijn ongegrond.

Omdat de bestreden besluiten I en II zijn genomen nadat eiser beroep heeft ingesteld wegens het niet-tijdig nemen van een besluit op de bezwaren, bestaat aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten die eiser in het kader van die beroepen niet tijdig beslissen heeft gemaakt. Het UWV moet ook het door eiser betaalde griffierecht voor het instellen van de beroepen niet tijdig beslissen van een besluit vergoeden.

De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5 omdat de beroepen niet-tijdig nemen van een besluit ten tijde van de indiening ervan alleen gingen over de vraag of de beslistermijn was overschreden. De rechtbank beschouwt de beroepen niet tijdig nemen van een besluit in de zaken 25/5437 en 25/5445 als één zaak op grond van artikel 3 van het Bpb, omdat in deze zaken door dezelfde gemachtigde een nagenoeg identiek beroepschrift niet tijdig nemen van een besluit is ingediend. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluit I en II ongegrond;

- bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van in totaal € 106,- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Het toetsingskader voor de WIA-beoordeling

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.

Het toetsingskader voor de ZW-beoordeling

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand