ECLI:NL:RBROT:2026:9357

ECLI:NL:RBROT:2026:9357

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 24-06-2026
Datum publicatie 30-07-2026
Zaaknummer C/10/719834 / KG ZA 26-471
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Kort geding. Wedertewerkstelling. Afwijzing. Werkgever heeft een redelijke en voldoende zwaarwegende grond voor de op non-actiefstelling van werknemer.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/719834 / KG ZA 26-471

Vonnis in kort geding van 24 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. M.C.V. Dornstedt,

tegen

BP RAFFINADERIJ ROTTERDAM B.V.,

gevestigd in Rotterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. A. van Toledo.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 mei 2026, met producties 1 tot en met 9;

- de aanvullende productie 10 van [eiser] ; - de producties 1 tot en met 4 van [gedaagde] ;- de aanvullende productie 11 van [eiser] ; - de aanvullende producties 5 tot en met 7 van [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling op 10 juni 2026;

- de spreekaantekeningen van [eiser] ;- de pleitaantekeningen van [gedaagde] .

2. De feiten

[eiser] is samen met zijn vader eigenaar van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ), een onderneming die zich bezighoudt met uitzenden en detacheren in de techniek en de petrochemische sector.

Op 1 februari 2023 is [eiser] in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van Junior Asset Planner op [afdeling] . De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

[persoon A] (hierna: [persoon A] ) was de direct hoger geplaatste leidinggevende van [eiser] .

[gedaagde] heeft op enig moment een intern integriteitsonderzoek uitgevoerd naar het handelen van [eiser] in relatie tot (i) (niet-)gemelde belangenconflicten, (ii) mogelijke onregelmatigheden rondom vendor-onboarding en facturatie en (iii) een declaratie. In het kader van dit onderzoek is [eiser] op 19 november 2025 en op 17 februari 2026 geïnterviewd. De bevindingen van het onderzoek heeft [gedaagde] vastgelegd in een onderzoeksrapport van 20 februari 2026.

Op 15 april 2026 heeft een hoor- en wederhoorgesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [eiser] , waarin de bevindingen van het onderzoek zijn besproken.

Bij brief van 20 april 2026 deelt [gedaagde] haar onderzoeksbevindingen mee aan [eiser] . In deze brief concludeert [gedaagde] dat [eiser] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of nagelaten. Volgens [gedaagde] is het vertrouwen in [eiser] daardoor onherstelbaar geschaad, zodat zij voortzetting van het dienstverband niet langer mogelijk acht. [gedaagde] geeft aan de voorkeur te geven aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden door middel van een vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] kondigt aan dat indien geen vaststellingsovereenkomst tot stand komt, zij de kantonrechter zal verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. In de begeleidende e-mail verzoekt [gedaagde] [eiser] in te stemmen met vrijstelling van zijn werkzaamheden met behoud van loon.

[eiser] heeft niet ingestemd met het verzoek tot vrijstelling van zijn werkzaamheden en heeft op 22 april 2026 zijn werkzaamheden hervat. Op diezelfde dag heeft [gedaagde] [eiser] meegedeeld dat hij met onmiddellijke ingang op non-actief wordt gesteld.

Bij brief van 22 april 2026 bevestigt [gedaagde] dat [eiser] , gelet op de ernst van de hem gemaakte verwijten, met onmiddellijke ingang op non-actief is gesteld in afwachting van de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast verzoekt [gedaagde] [eiser] om uiterlijk op 27 april 2026 kenbaar te maken of hij bereid is in overleg te treden over een vaststellingsovereenkomst.

Bij brief van 23 april 2026 verzet [eiser] zich tegen de op-non-actiefstelling en verzoekt hij toezending van de stukken waarop de op-non-actiefstelling is gebaseerd.

Op 24 april 2026 verstrekt [gedaagde] het onderzoeksrapport aan [eiser] .

Bij e-mail van 6 mei 2026 verzoekt [gedaagde] [eiser] om per ommegaand kenbaar te maken of hij bereid is in overleg te treden over een vaststellingsovereenkomst en dat bij het uitblijven van een (tijdige) reactie een ontbindingsprocedure aanhangig wordt gemaakt.

Bij e-mails van 15, 19 en 29 mei 2026 stelt [eiser] zich op het standpunt dat de op-non-actiefstelling grondslag mist en verzoekt hij [gedaagde] hem weer toe te laten tot zijn werkzaamheden. Daarnaast geeft [eiser] aan dat, indien [gedaagde] niet overgaat tot wedertewerkstelling van [eiser] , hij een kortgedingprocedure zal starten om wedertewerkstelling te bewerkstelligen.

Bij e-mail van 1 juni 2026 geeft [gedaagde] aan dat zij geen aanleiding ziet om [eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden in verband met de ernst van de verwijten die [gedaagde] hem maakt.

Bij verzoekschrift van 2 juni 2026 heeft [gedaagde] een ontbindingsverzoek ingediend bij deze rechtbank.

3. Het geschil

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] te veroordelen om [eiser] binnen uiterlijk 24 uur na betekening van dit vonnis tot zijn functie van Junior Asset Planner en de daarop betrekking hebbende taken en verantwoordelijkheden toe te laten, zonder beperking van welke aard en omvang dan ook, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de aan haar op te leggen veroordeling te voldoen, althans een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in deze redelijk en passend vindt;

[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Dat volgt uit zijn onweersproken stellingen dat hij door het niet kunnen verrichten van zijn werkzaamheden steeds verder verwijderd raakt van de organisatie, zijn collega’s, klanten en relaties. Naarmate deze situatie voortduurt komt het behoud van zijn functie, en daarmee ook zijn inkomen, in toenemende mate onder druk te staan.

Standpunten partijen

[eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [gedaagde] heeft [eiser] zonder deugdelijke grond op non-actief gesteld. Een op-non-actiefstelling is slechts gerechtvaardigd indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat, waarvan volgens [eiser] geen sprake is. Het enkele vooruitlopen op een ontbindingsprocedure, zoals [gedaagde] doet, is daarvoor onvoldoende. [eiser] betwist de hem gemaakte verwijten en dat die verwijten een grond vormen voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst dan wel voor de op-non-actiefstelling van [eiser] . Verder betwist [eiser] dat sprake is van een deugdelijk en methodologisch verantwoord onderzoek door [gedaagde] . Volgens [eiser] is het onderzoek gebaseerd op subjectieve interpretaties en aannames en niet op objectieve feiten. Daarnaast heeft [gedaagde] niet aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat voortzetting van de werkzaamheden van [eiser] tot een ongewenste situatie leidt.

[gedaagde] verweert zich als volgt. Er is een voldoende zwaarwegende grond die de op-non-actiefstelling rechtvaardigt. In dat kader verwijst [gedaagde] naar het onderzoeksrapport met daarin de bevindingen van het integriteitsonderzoek naar [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] zich schuldig gemaakt aan i) niet (tijdig) gemelde belangenconflicten met [persoon A] en [bedrijf] , ii) onregelmatigheden rondom vendor-onboarding en facturatie en iii) ten onrechte gedeclareerde opleidingskosten. Ten aanzien van i) stelt [gedaagde] dat [eiser] , nadat hij eerder in de reguliere sollicitatieprocedure was afgewezen voor de (junior-)functie van scheduler, op voorspraak van [persoon A] buiten de gebruikelijke procedure om alsnog voor de functie van planner is aangenomen tegen arbeidsvoorwaarden die niet in verhouding stonden tot zijn opleiding en ervaring (inschaling aan de bovenkant van de schaal). Daarnaast is [bedrijf] in juni 2024, met betrokkenheid van [persoon A] , als leverancier van [gedaagde] goedgekeurd. [bedrijf] heeft vervolgens voor meer dan een miljoen euro aan omzet bij [gedaagde] gerealiseerd. Uit het onderzoek volgt volgens [gedaagde] dat er sprake was van vergaande zakelijke verwevenheid tussen [eiser] , [bedrijf] en [persoon A] , terwijl [eiser] dit niet (tijdig) op de voorgeschreven wijze heeft vermeld. Zelfs toen [eiser] hierover werd geïnterviewd heeft hij hierover onjuiste en onvolledige informatie verstrekt. Zo wekte [eiser] de indruk [persoon A] niet of nauwelijks te kennen en niet bekend te zijn met zakelijke verwevenheid met hem, terwijl uit de e-mailcorrespondentie volgt dat dit onjuist is.

Ten aanzien van ii) stelt [gedaagde] dat [persoon A] [eiser] informatie heeft verschaft over een concurrent en instructies heeft gegeven om onderbieding door [bedrijf] van door concurrenten van [bedrijf] gehanteerde tarieven mogelijk te maken. Ook heeft [persoon A] [eiser] verzocht een factuur via [bedrijf] te laten betalen met een opslag van 6%, wat heeft geleid tot een verlies van € 636,27 aan de zijde van [gedaagde] . Ten aanzien van iii) stelt [gedaagde] dat [eiser] heeft gefraudeerd met een declaratie voor opleidingskosten. Kort na zijn indiensttreding heeft [eiser] een bedrag van € 2.500,00 gedeclareerd voor een opleiding die hij ruim een jaar voor zijn indiensttreding had gevolgd en daarom niet voor vergoeding in aanmerking kwam. Volgens [gedaagde] was [eiser] zich hiervan bewust. [persoon A] heeft ervoor gezorgd dat die declaratie, via een andere collega, is goedgekeurd. [gedaagde] stelt dat, gelet op de aard en de ernst van de verwijten, het vertrouwen in [eiser] onherstelbaar is beschadigd en dat van [gedaagde] redelijkerwijs niet kan worden verlangd [eiser] weer toe te laten tot zijn werkzaamheden. Daarom bestaat volgens [gedaagde] geen grond voor wedertewerkstelling.

Juridisch kader

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de toewijsbaarheid van een vordering van een werknemer tot wedertewerkstelling moet worden getoetst aan de norm van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Het antwoord op de vraag of een werkgever verplicht is een werknemer in staat te stellen de overeengekomen arbeid te verrichten is afhankelijk van de aard van de arbeidsovereenkomst, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval. Voor een dergelijke ingrijpende maatregel moet sprake zijn van een redelijke en zwaarwegende grond, gelet op het in beginsel zwaarwegende belang van de werknemer om de overeengekomen arbeid te kunnen (blijven) verrichten. Het enkel nastreven van ontbinding van de arbeidsovereenkomst is onvoldoende grond voor een op-non-actiefstelling.

Een redelijke en voldoende zwaarwegende grond

De vraag die in dit kort geding voorligt is of [gedaagde] een redelijke en voldoende zwaarwegende grond had om [eiser] op 22 april 2026 op non-actief te stellen en deze op-non-actiefstelling te handhaven. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.

De door [gedaagde] aan de op-non-actiefstelling ten grondslag gelegde verwijten heeft [eiser] slechts op enkele punten inhoudelijk weersproken.

Ten aanzien van het verwijt dat [eiser] de vergaande zakelijke verwevenheid tussen [eiser] en [bedrijf] (en [persoon A] ) niet (tijdig) heeft gemeld, heeft [eiser] aangevoerd dat hij bij zijn indiensttreding een Ethics & Compliance formulier heeft ingevuld waarin hij melding heeft gemaakt van zijn betrokkenheid bij [bedrijf] . [eiser] heeft deze stelling echter niet onderbouwd. Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting betwist dat [eiser] een dergelijk formulier heeft ingevuld.

Ten aanzien van het verwijt over de ten onrechte gedeclareerde opleidingskosten heeft [eiser] aangevoerd dat hij zich ten tijde van het indienen van die declaratie niet bewust was van het feit dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. Volgens [eiser] heeft hij dit ook tijdens het interview aangegeven.

De overige door [gedaagde] aan de op-non-actiefstelling ten grondslag gelegde verwijten heeft [eiser] niet inhoudelijk weersproken. In de dagvaarding heeft hij zich beperkt tot een algemene betwisting van de door [gedaagde] gestelde verwijten, zonder daarbij concreet in te gaan op de afzonderlijke bevindingen uit het door [gedaagde] verrichte onderzoek. Dit terwijl [eiser] daartoe wel in de gelegenheid is gesteld, zowel tijdens het onderzoek – waarbij [eiser] in het kader van hoor en wederhoor tweemaal is geïnterviewd en daarna nog een gesprek heeft plaatsgevonden waarin de onderzoeksbevindingen zijn besproken – als in deze procedure. De stelling van [eiser] , dat een inhoudelijke reactie op de verwijten pas in de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter aan de orde dient te komen, wordt niet gevolgd. Nu [gedaagde] deze verwijten (ook) in deze procedure ten grondslag legt aan de op-non-actiefstelling, lag het op de weg van [eiser] om die verwijten reeds in deze procedure gemotiveerd te betwisten.

Los van het voorgaande heeft [eiser] nog aangevoerd dat het door [gedaagde] verrichte integriteitsonderzoek niet deugdelijk en methodologisch verantwoord is uitgevoerd. Volgens [eiser] is het onderzoek gebaseerd op subjectieve interpretaties en aannames en niet op objectieve feiten. [eiser] heeft echter niet concreet toegelicht op welke onderdelen het onderzoek ondeugdelijk zou zijn. Bovendien is [eiser] , zoals hiervoor al is overwogen, voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn kant van het verhaal te vertellen, ook ten aanzien van de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Van deze gelegenheid heeft [eiser] geen, althans onvoldoende, gebruik gemaakt. Dit verweer wordt daarom verworpen.

Het voorgaande brengt mee dat voor een beslissing in dit kort geding voorshands voldoende aannemelijk is dat [eiser] in ieder geval de volgende verwijten kan worden gemaakt: (i) het niet (tijdig) melden van belangenconflicten met [persoon A] en [bedrijf] en (ii) onregelmatigheden rond vendor-onboarding en declaratie.

[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat de functie van planner een hoge mate van onafhankelijkheid en integriteit vereist ten opzichte van contractors/aannemers, gelet op de directe raakvlakken met operationele en financiële processen.

Tegen die achtergrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat de onder 4.11 genoemde gedragingen/nalatigheden door [eiser] dusdanig ernstig zijn dat deze een voldoende redelijke en zwaarwegende grond vormen voor de op-non-actiefstelling van [eiser] . Daarbij weegt mee dat deze verwijtbare gedragingen/nalatigheden raken aan de essentiële vereisten aan een planner, te weten onafhankelijkheid en integriteit en bovendien afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van (de uitvoering van) het integriteitsbeleid, zoals door [gedaagde] is aangevoerd op de zitting.

Belangenafweging

Een belangenafweging maakt dit niet anders, gelet op het volgende.

[gedaagde] heeft in dat kader gesteld dat [eiser] geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Terugkeer van [eiser] in de organisatie zou een risico op herhaling meebrengen, met mogelijk verdere (financiële) schade voor [gedaagde] tot gevolg. Daarnaast hecht [gedaagde] groot belang aan de naleving van haar integriteitsregels. Terugkeer van een werknemer die deze regels heeft geschonden, doet volgens [gedaagde] afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar integriteitsbeleid en kan daardoor negatieve gevolgen hebben voor de bedrijfscultuur van [gedaagde] .

Daartegenover staat het belang van [eiser] bij wedertewerkstelling. In dat kader heeft [eiser] gesteld dat – nog los van het inkomen – het verrichten van de bedongen arbeid hem de mogelijkheid biedt tot zelfontplooiing, het onderhouden van sociale contacten, de ontwikkeling van zijn identiteit en maatschappelijke participatie.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [gedaagde] aangevoerde belangen bij handhaving van de op-non-actiefstelling in dit geval zwaarder wegen dan het belang van [eiser] bij wedertewerkstelling. Daarbij is doorslaggevend dat [gedaagde] voldoende toegelicht heeft dat wedertewerkstelling van [eiser] tot zwaarwegende risico’s voor de bedrijfsvoering en bedrijfscultuur van [gedaagde] kan leiden.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van [gedaagde] niet in redelijkheid kan worden verlangd om [eiser] opnieuw tot zijn werkzaamheden toe te laten. De vordering tot wedertewerkstelling wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.101,00.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig betaalt en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.[3894/1694]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-1272 JAR 2026/228 met annotatie van prof. mr. dr. W.A. Zondag
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand