ECLI:NL:RBROT:2026:963

ECLI:NL:RBROT:2026:963

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer C/10/711980 / JE RK 25-2619 en C/10/712185 / JE RK 25-2655
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging van de ondertoezichtstelling en afwijzing van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummers: C/10/711980 / JE RK 25-2619 en C/10/712185 / JE RK 25-2655

Datum uitspraak: 21 januari 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging van de ondertoezichtstelling en afwijzing van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2],

[minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum 3] 2025 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 3].

De rechtbank merkt als belanghebbenden in beide zaken aan:

[naam moeder] en [naam vader],

hierna te noemen de moeder, en de vader, tezamen te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats],

advocaat mr. S. Kara, kantoorhoudende in Rotterdam,

De rechtbank merkt in de zaak van de Raad als belanghebbende aan:

De GI, voornoemd.

De rechtbank merkt in beide zaken als informant aan:

[naam oma] ,

hierna te noemen: de oma moederszijde (mz).

1. Het verdere verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 2 januari 2026 met de daaraan ten grondslag liggende stukken, ten aanzien van beide zaaknummers;

de briefrapportage van de Raad met bijlagen van 16 januari 2026, bij de rechtbank ingekomen op 20 januari 2026, ten aanzien van het verzoek met zaaknummer ;

- de brief van mr. S. Kara namens de ouders, met bijlagen, van 20 januari 2026, bij de rechtbank ingekomen op diezelfde datum, ten aanzien van beide zaaknummers.

Op 21 januari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren gehouden. Daarbij waren aanwezig:

de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];

drie vertegenwoordigers van de GI, [naam 2], [naam 3] en [naam 4];

de oma (mz).

Bijzondere toegang is verleend aan mr. G. Sahin, kantoorgenoot van mr. S. Kara.

Ter zitting is door de GI de briefrapportage ten aanzien van het verzoek met zaaknummer C/10/711980 / JE RK 25-2619 overgelegd.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1]. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3].

[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de ouders.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 januari 2026 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 2 maart 2026. Het overig verzochte is daarbij aangehouden.

3. De aangehouden en gewijzigde verzoeken

Ten aanzien van het verzoek van de Raad met zaaknummer C/10/712185 / JE RK 25-2655:

De Raad heeft bij verzoekschrift van 19 december 2025 verzocht [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Dit verzoek is reeds bij voornoemde beschikking voor de duur van twee maanden toegewezen. Thans dient er op het restant te worden beslist.

Ook heeft de Raad bij verzoekschrift van 19 december 2025 verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier maanden. Dit verzoek is tevens bij voornoemde beschikking aangehouden.

De Raad heeft dit verzoek ter zitting gewijzigd, in die zin dat de Raad nu een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het netwerk verzoekt voor de duur van vier maanden. Thans dient hierop te worden beslist.

Ten aanzien van het verzoek van de GI met zaaknummer C/10/711980 JE RK 25-2619:

4. De GI heeft bij verzoekschrift van 17 december 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en aansluitend voor de duur van de door de Raad verzochte ondertoezichtstelling.

De GI heeft haar verzoek op de zitting van 2 januari 2026 mondeling gewijzigd in die zin dat nu verzocht wordt om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ook dit verzoek is bij voornoemde beschikking aangehouden en ligt nu aan de rechtbank voor.

5. De standpunten

De Raad handhaaft het (aangehouden en gewijzigde) verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. In december 2025 is vastgesteld dat er bij [minderjarige 3] sprake is van toegebracht letsel. Andere (medische) verklaringen zijn uitgesloten. De ouders zijn het hier niet mee eens. Desgevraagd door de voorzitter ter zitting heeft de Raad aangegeven dat met 'desinformatie verspreiden' in de briefrapportage wordt bedoeld dat de ouders, ondanks de duidelijke bevindingen van het ziekenhuis, steeds andere oorzaken en verklaringen voor het letsel blijven aanvoeren. Hierdoor is het de Raad in de afgelopen periode niet goed gelukt om met de ouders tot de kern van de zorgen te komen en hier grip op te krijgen. Desgevraagd geeft de Raad aan dat de ouders mogelijk, door hun eigen situatie, en uit onmacht, niet volledig kunnen erkennen wat er is gebeurd. De Raad bevestigt dat, in tegenstelling tot wat er op de zitting van 2 januari 2026 is aangegeven, de Raad nu wel achter een gezinsopname staat. De Raad heeft hierover goed overlegd met de GI en gezien de persoonlijke problematiek van de ouders (zoals PTSS en onverwerkt trauma bij de moeder) en het ontbrekende toedrachtsverhaal, lijkt een gezinsopname bij GGZ Beilen het meest passend om tot de kern van de zorgen te komen. In reactie op de advocaat wil de Raad daarbij aangeven dat het niet gezegd is dat dit niet binnen vier maanden gerealiseerd kan worden.

Verder heeft de Raad aanvankelijk verzocht om de kinderen in een neutraal pleeggezin te plaatsen omdat de samenwerking met de ouders en de oma (mz) niet goed verliep. Nu blijkt dat de kinderen uit elkaar moeten als ze in een neutraal pleeggezin zouden worden geplaatst. Daar komt bij dat de samenwerking tussen de ouders, de oma (mz) en de GI is verbeterd. Vanwege deze omstandigheden heeft de Raad het verzoek gewijzigd naar een plaatsing in het netwerk voor de duur van vier maanden. Desgevraagd geeft de Raad aan dat het gegeven dat de oma (mz) de afgelopen periode bij de ouders is ingetrokken om het vier-ogen-principe te waarborgen niet is meegewogen in de briefrapportage van de Raad. Ten aanzien van het politieonderzoek kan de Raad aangeven dat het onderzoeksteam momenteel wacht op de medische dossiers. De Raad hoopt dat de ouders, de oma (mz) en de GI de goede samenwerking de aankomende tijd voort te zetten.

De GI heeft ter zitting haar (aangehouden en gewijzigde) verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Sinds de zitting van 2 januari 2026 is de samenwerking tussen de GI, de ouders en de oma (mz) sterk verbeterd. De GI heeft meerdere huisbezoeken afgelegd en maakt zich geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders. Dit is ook door ASH bevestigd. Wel heeft de GI zorgen over de persoonlijke problematiek van de ouders. De GI vreest dat deze problematiek mogelijk heeft geleid tot een uitbarsting die het letsel bij [minderjarige 3] heeft veroorzaakt. De zorgen van de GI kunnen zodoende niet met opvoedondersteuning, door bijvoorbeeld SPAM of Families First, worden opgelost. Dit vraagt om verder onderzoek naar de psyche van de ouders. De GI is daarom van mening dat dit het beste kan worden aangepakt door een gezinsopname bij GGZ Beilen, waar zowel naar de persoonlijke problematiek van de ouders als naar mogelijke ondersteuning voor hen gekeken kan worden. Dit is geen zoektocht naar de waarheid over het letsel, maar wel een kans om de ouders te ondersteunen en herhaling te voorkomen. Desgevraagd heeft de GI aangegeven dat een gezinsopname bij GGZ Beilen een lang en intensief traject is dat mogelijk een jaar duurt. Het gezin is bij Yulius inmiddels door de tweede screeningsronde heen.

Ten aanzien van het verzoek van de GI om de kinderen in een pleeggezin te plaatsen, geeft de GI aan dat er op dit moment geen pleeggezin beschikbaar is dat drie kinderen kan opnemen. Dit zou betekenen dat de kinderen uit elkaar moeten worden gehaald en dat is niet wenselijk. Er is veel betrokkenheid vanuit het netwerk van de ouders, zoals de oom en de oma (mz), maar er is tegelijkertijd ook boosheid over de gang van zaken. Desgevraagd geeft de GI aan dat in overleg met de gedragswetenschapper er formeel nog te weinig omstandigheden zijn om het verzoek te wijzigen naar een netwerkplaatsing. Desondanks neigt de GI hier wel naar. Een plaatsing binnen het netwerk zou meer controle op de omgang tussen de ouders en de kinderen bieden. Dit acht de GI noodzakelijk, nu vaststaat dat één van de ouders een rol moet hebben gespeeld in het veroorzaken van het letsel bij [minderjarige 3]. Desgevraagd erkent de GI dat zij op dit moment uitgaat van een bepaald scenario en dat zij meent dat het risico op herhaling alleen kan worden weggenomen door een machtiging tot uithuisplaatsing. Het feit dat de oma (mz) bij de ouders is ingetrokken, is voor de GI momenteel niet voldoende. Tenslotte geeft de GI aan dat een gezinsopname bij iHub, zoals door de ouders aangevoerd, niet passend is voor dit gezin omdat dit te licht is gezien de zorgen die er zijn.

Door en namens de ouders wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Met de kinderen gaat het, gezien de omstandigheden, goed. [minderjarige 3] is inmiddels volledig hersteld, maar de ouders weten nog altijd niet hoe het letsel is ontstaan. De ouders hebben hier al vele vragen over gesteld. Het is daarbij nooit de bedoeling geweest om aanvallend over te komen op de hulpverleners. De ouders werken hard aan de adviezen van de hulpverlening en begrijpen de zorgen die er zijn. Voor hen voelt het dat ze gefaald hebben en niet hebben kunnen voorkomen wat er is gebeurd. Vooral voor de moeder is het zwaar, omdat zij eerder een zoontje verloren is. Dit was traumatisch voor haar en zij krijgt daar al langere tijd intensieve hulp voor om dit verdriet te verwerken. Voor zover de ouders weten zijn er geen nieuwe ontwikkelingen in het politieonderzoek. Desgevraagd geven de ouders aan dat het gewijzigde verzoek van de Raad, met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk, hen enigszins geruststelt. Het is voor de ouders moeilijk om te horen dat zij het letsel in het begin niet erkend zouden hebben en alleen maar naar andere verklaringen zoeken. De ouders hebben immers alleen maar gewild dat alles goed uitgezocht werd. De ouders wensen te benadrukken dat er een wezenlijk verschil is tussen kritisch zijn en het frustreren van de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling, zoals de Raad in de briefrapportage suggereert.

Omdat er op de vorige zitting over de mogelijkheid van een gezinsopname werd gesproken, hebben de ouders de afgelopen weken zelf contact gezocht met verschillende hulpverleningsorganisaties. iHub heeft toen bij hen aangegeven dat zij op korte termijn zouden kunnen starten. Hoewel de Raad en de GI aangeven dat dit te licht zou zijn, begrijpen de ouders niet goed waarom. De ouders snappen dat de veiligheid van de kinderen moet worden onderzocht wanneer er een stressvolle situatie ontstaat, maar willen daarbij benadrukken dat zij inmiddels al vier maanden met veel stress leven vanwege de onderhavige procedures en alles wat er gebeurd is. En met de kinderen gaat het goed.

Momenteel lijkt het erop dat er geen instantie is, die in de eerste plaats voor beide partijen volstaat en die in de tweede plaats binnen vier weken een gezinsopname kan realiseren. Gezien de wachttijd vragen de ouders zich daarom af wat een tussentijdse plaatsing van de kinderen in het netwerk kan bijdragen. De oma (mz) woont immers al bij de ouders in vanwege het vier-ogen-principe en een plaatsing bij de oma (mz) zou enkel de woning en de omgang wijzigen. De ouders voeren aan dat zij de afgelopen tijd ook bij de kinderen zijn geweest en dat er geen zorgen zijn over de hechting en opvoedvaardigheden. Op dit moment lijken de zorgen zich vooral op de moeder te richten, terwijl er weinig wordt vermeld over de vader en zijn oudere dochter die ook met regelmaat bij het gezin verblijft. Het klopt dat de moeder kampt met PTSS, maar de oorzaak hiervan is trauma en niet emotie-regulatie problematiek. De moeder voelt zich hierdoor indirect bestempeld als dader en dat doet haar verdriet. De moeder vraagt zich af of er zomaar zulke conclusies getrokken mogen worden. De ouders dringen erop aan om via andere wegen dan een uithuisplaatsing de zorgen verder te onderzoeken. De ouders staan voor alles open en willen overal aan meewerken. Het allerliefst willen zij de kinderen thuis houden en met elkaar tot rust komen zoals ook door de ASH geadviseerd.

6. De mening van de informant

De oma (mz) heeft ter zitting aangegeven dat zij sinds 31 oktober 2025 bij de ouders in huis verblijft om het vier-ogen-principe te waarborgen. Ze heeft een goede band met de ouders en haar kleinkinderen en er is veel liefde tussen hen. In het verleden is de oma (mz) pleegmoeder geweest, waardoor zij goed begrijpt hoe belangrijk het voor kinderen is dat zij kunnen opgroeien in een stabiele en veilige omgeving. De oma (mz) is daarom op zich blij met het gewijzigde verzoek. Desgevraagd geeft de oma (mz) nadrukkelijk aan dat zij, indien nodig, zo lang als nodig is bij de ouders in huis kan blijven wonen. Voor de kinderen is het het fijnst als ze gewoon in hun eigen vertrouwde thuis kunnen blijven.

7. De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek van de Raad met zaaknummer C/10/712185 / JE RK 25-265:

De ondertoezichtstelling

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog onverminderd aanwezig zijn.

[minderjarige 3] (van nog maar zeven maanden oud) is op 16 oktober 2025 voorlopig onder toezicht gesteld en met spoed uit huis geplaatst in het Sophia Kinderziekenhuis (EMC) vanwege ernstig en onverklaarbaar letsel. Bij [minderjarige 3] werd een fractuur in zijn rib gesignaleerd evenals twee bloedophopingen aan de linker- en rechterkant van zijn schedel en forse bloedingen in het netvlies van zijn beide oogjes. De ouders hebben geen verklaring voor al deze bevindingen en zijn erg geschrokken. Inmiddels is uit aanvullend onderzoek gebleken dat een medische oorzaak is uitgesloten en dat het letsel toegebracht moet zijn. Er blijft echter onduidelijkheid bestaan over wat er nu precies gebeurd is.

Gezien deze ernstige zorgen en de onduidelijkheid daarover, overweegt de rechtbank dat de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 3] duidelijk is aangetoond. In verband met het (toegebrachte) letsel van [minderjarige 3] is de rechtbank eveneens van oordeel dat er ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook structureel toezicht op hun veiligheid moet zijn. In het belang van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] acht de rechtbank het daarom noodzakelijk dat de betrokkenheid van de jeugdbeschermer de aankomende periode wordt voortgezet. Hiertegen is ter zitting ook geen verweer gevoerd.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen. De rechtbank ziet daarbij eveneens aanleiding om de ondertoezichtstelling voor alle drie de kinderen te verlengen voor een kortere periode dan is verzocht, zodat tussentijds een vinger aan de pols kan worden gehouden. De rechtbank zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van vier maanden, te weten tot 2 juli 2026 en het overige verzochte aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum.

De rechtbank verzoekt de Raad en de GI uiterlijk een week voor de hierna te noemen pro forma datum de rechtbank (met afschrift aan de ouders en mr. S. Kara) te rapporteren over de laatste ontwikkelingen en aan te geven of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd.

De machtiging tot uithuisplaatsing

De rechtbank stelt voorop dat zij de grote zorgen van de Raad en de GI over het nog onverklaarbare (toegebrachte) letsel deelt en de vermoedens van kindermishandeling zeer serieus neemt. De rechtbank moet echter oordelen over de vraag of uithuisplaatsing op dit moment in het belang van alle drie de kinderen noodzakelijk is. Daartoe maakt zij de volgende afweging.

Het gezin heeft een bijzonder hectische periode achter de rug. Naar aanleiding van het onverklaarbare, ernstige (toegebrachte) letsel van [minderjarige 3] zijn er grote zorgen ontstaan over de fysieke veiligheid van alle drie de kinderen in de thuissituatie bij de ouders thuis. Veilig Thuis heeft als gevolg hiervan aangifte tegen de ouders gedaan. Vanwege de ernst van de letsels en het ontbreken van een verklaring hiervoor, woont de oma (mz) sinds 31 oktober 2025 bij het gezin in om het vier-ogen-principe te waarborgen. Daarnaast is ook ASH in het gezin gestart.

In de afgelopen periode is gebleken dat de ouders op een zorgzame en adequate manier met [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] omgaan. De GI en ASH hebben geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders en er wordt veel liefde tussen hen en de kinderen gezien. De ouders hebben zich daarnaast bereid en in staat getoond de hulp en de geboden begeleiding te accepteren, zij volgen de adviezen op en ook de samenwerking met de GI is verbeterd. Daarnaast is het vier-ogen-principe nog steeds van kracht en dit verloopt goed. Ter zitting is door de ouders en de oma (mz) aangegeven dat zij het vier-ogen-principe (zo lang als nodig en gewenst door de GI) zullen blijven handhaven. Daarnaast is ter zitting gebleken dat alle partijen (inmiddels) achter een gezinsopname staan. De vraag is met name welke organisatie de hulpverlening gaat bieden. De rechtbank acht daarbij de kans klein dat het de GI lukt om op korte termijn een geschikt traject voor het gezin te vinden, althans niet binnen de verzochte termijn van vier maanden voor de machtiging tot uithuisplaatsing. Verder overweegt de rechtbank dat alle drie de kinderen, te weten [minderjarige 1] van twee jaar en de tweeling [minderjarige 3] en [minderjarige 2] van amper acht maanden jong, nog heel erg kwetsbaar zijn en in een cruciale hechtingsfase zitten om tot een gezonde ontwikkeling te komen. Een plaatsing elders, ook in het netwerk zou gepaard gaan met een wijziging in de opvoedsituatie en een rolwisseling van de volwassenen die hen verzorgen, terwijl de kinderen belang hebben bij continuering van de voor hen vertrouwde situatie en zorg, en daarmee een gezonde en positieve gehechtheid met hun primaire opvoeders. De afgelopen periode, nadat het traject met ASH positief is afgesloten, is door de GI geen andere hulpverlening of wat dies meer zij ingezet in het gezin en het vier-ogen-principe bood aldus voldoende waarborg. In de eerdere beslissing van de kinderrechter werd berust door de Raad.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een (machtiging tot) uithuisplaatsing op dit moment geen antwoord is op de zorgen die er zijn. Met het vier-ogen-principe en de benodigde ondersteuning voor de ouders welke gewaarborgd is door de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], acht de rechtbank de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen thans voldoende gewaarborgd. Hieruit volgt dat de rechtbank het verzoek van de Raad ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing zal afwijzen. De rechtbank gaat er bij haar beslissing van uit dat de ouders de aankomende tijd volledig zullen blijven meewerken met de GI en hulpverlening, alsmede dat zij alle aanwijzingen die de GI nodig acht zullen opvolgen. Verder acht de rechtbank het van belang dat de GI de ontwikkeling van de kinderen de aankomende tijd blijft volgen en zal ingrijpen in de vorm van een nieuw (spoed)verzoek, wanneer zij meent dat hun veiligheid in gevaar is. De rechtbank spreekt de hoop en het vertrouwen uit dat het de ouders en de GI de aankomende tijd lukt om hun (prille) positieve samenwerking voort te zetten. Dit is immers in het belang van alle drie de kinderen.

Ten aanzien van het verzoek van de GI met zaaknummer C/10/711980 JE RK 25-2619:

Nu het verzoek van de Raad ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing is afgewezen, zal de rechtbank het verzoek van de GI bij gebrek aan belang eveneens afwijzen.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8. De beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van het verzoek van de Raad met zaaknummer C/10/712185 / JE RK 25-2655:

wijst het gewijzigde verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing af;

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 2 juli 2026;

en alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat de behandeling van de zaak voor het overige verzochte wordt aangehouden tot 1 juni 2026 pro forma;

bepaalt dat de Raad, de GI, de ouders en hun advocaat op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

verzoekt de Raad en de GI uiterlijk een week voor de genoemde pro forma datum de rechtbank de sub 7.5. verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift aan de belanghebbenden en mr. S. Kara.

Ten aanzien van het verzoek van de GI met zaaknummer C/10/711980 JE RK 25-2619:

wijst het verzoek van de GI af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, voorzitter, mrs. L.L.H. Roebroek en S.J. Huizenga, kinderrechters, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.P.G. Rietbergen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?