RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/719742 / JE RK 26-935 en C/10/685408 / FA RK 24-6597
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J. van der Stel, kantoorhoudende in Schiedam,
[vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J. Wittens, kantoorhoudende in 's-Gravenhage.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in deze zaak gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van C/10/719742 / JE RK 26-935
- de beschikking van 14 juli 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
Ten aanzien van C/10/685408 / FA RK 24-6597
de beschikking van 8 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken:
de brief met bijlagen van (de advocaat van) de vader van 1 mei 2026;
de briefrapportage van de GI met bijlagen van 16 april 2026;
de brief van (de advocaat van) de moeder met bijlagen van 6 juli 2026;
de brief met bijlagen van (de advocaat van) de vader van 8 juli 2026.
Op 14 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordigers van de GI] ;
een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] .
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Litouwse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van E. ten Cate-Rokauskaite en S. Blaauw, tolken in de Litouwse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolken zijn beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] woont bij zijn vader.
Bij beschikking van 14 juli 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 24 augustus 2026.
3. De (aangehouden) verzoeken
Ten aanzien van C/10/719742 / JE RK 26-935
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Bij beschikking van 18 juni 2026 is de ondertoezichtstelling kort verlengd voor de duur van een maand, te weten tot 24 juli 2026, zodat de zaak gelijktijdig kon worden behandeld met C/10/685408 / FA RK 24-6597.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling wederom kort verlengd voor de duur van een maand. Nu resteert een beslissing voor de duur van tien maanden, te weten tot 24 juni 2027.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Er is sprake van complexe problematiek. [voornaam minderjarige] was aangemeld bij GGZ Delfland voor diagnostiek. GGZ Delfland heeft aangegeven dat de spanningen tussen de ouders op dit moment nog te groot zijn om betrouwbare diagnostiek te kunnen verrichten. Daarom is besloten een ontwikkelingsanalyse uit te voeren. Gisteren heeft GGZ Delfland laten weten dat de vader zijn toestemming hiervoor heeft ingetrokken. Daarnaast wil de GI Parallel Solo Ouderschap (hierna: PSO) en het Omgangshuis inzetten. De moeder wil hieraan meewerken, maar de vader verleent hieraan geen medewerking. Het is de huidige jeugdbeschermer niet gelukt om de huidige situatie verbeteren, waardoor de zaak wordt overgedragen aan een andere jeugdbeschermer.
Ten aanzien van C/10/685408 / FA RK 24-6597
De vader verzoekt primair te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan hem toekomt. Subsidiair verzoekt de man:
de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader te bepalen;
aan de vader vervangende toestemming te verlenen, welke de toestemming van de moeder vervangt, om met [voornaam minderjarige] in de periode van 17 juli 2026 (na school) tot en met 30 augustus 2026 voor enige tijd af te reizen naar Litouwen, van 16 oktober 2026 (na school) tot en met 25 oktober 2026 af te reizen naar Spanje en in de periode van 18 december 2026 (na school) tot en met januari 2027 af te reizen naar Litouwen, althans ter zake een beslissing te nemen zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht;
aan de vader toestemming te verlenen, welke de toestemming van de moeder vervangt, om voor [voornaam minderjarige] de inzet van hulpverlening van een (kinder)psycholoog te realiseren, meer specifiek voor het verkrijgen van een doorverwijzing via de huisarts naar een (kinder)psycholoog, aldaar een intake gesprek met [voornaam minderjarige] te voeren en de inzet van de eventueel hier opvolgende (psychologische) hulpverlening te realiseren, alsmede toestemming te verlenen voor eventuele door de (kinder)psycholoog geadviseerde vervolgtrajecten.
De moeder verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarige elk weekend van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij haar verblijft en ook de helft van de schoolvakanties en algemeen erkende feestdagen, data en tijdstippen in onderling overleg vast te stellen.
4. Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder wordt ingestemd met een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wordt de GI gevraagd een duidelijk stappenplan op te stellen waarin wordt toegewerkt naar contactherstel tussen de moeder en [voornaam minderjarige] . Er is inmiddels bijna twee jaar sprake van contactverlies tussen de moeder en [voornaam minderjarige] . De verhouding tussen de ouders is verstoord en het contact wordt de moeder onthouden. Dit contactverlies vormt een ontwikkelingsbedreiging. Het afgelopen jaar heeft weinig effectieve hulpverlening plaatsgevonden. De moeder is bereid een PSO-traject aan te gaan en mee te werken aan het Omgangshuis. PSO kan bijdragen aan het creëren van rust in de situatie door onder begeleiding minimale communicatie tussen de ouders mogelijk te maken en toe te werken naar een werkbare verstandhouding.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag. De moeder handhaaft haar eerder gevoerde verweren. Ook wordt verweer gevoerd tegen de subsidiaire verzoeken van de vader. De vader verzoekt om vervangende toestemming voor psychologische hulpverlening voor [voornaam minderjarige] . De moeder heeft hiervoor vorig jaar al toestemming verleend. De moeder verwijst naar deze eerder verleende toestemming, zodat vervangende toestemming niet nodig is. De moeder stemt niet in met het verzoek om vervangende toestemming voor de vakanties. De prioriteit ligt bij het herstel van het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] . Wanneer het contact is hersteld, is de moeder bereid toestemming te verlenen voor de vakanties.
Door en namens de moeder wordt het verzoek met betrekking tot de zorg- dan wel omgangsregeling gehandhaafd.
5. Het standpunt van de vader
Door en namens de vader wordt primair verzocht de verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden te verlengen en het overige verzochte aan te houden om vinger aan de pols te houden. De afgelopen periode zijn weinig stappen gezet. Pas in november 2025 is een vaste jeugdbeschermer gekoppeld en pas in 2026 een plan van aanpak opgesteld. De situatie heeft lange tijd stilgestaan en er is weinig bereikt. De vader wil meewerken aan het contactherstel tussen de moeder en [voornaam minderjarige] , maar ziet daarbij ook een verantwoordelijkheid voor de moeder. De vader betwist dat hij zijn toestemming voor de diagnostiek door GGD Delfland heeft ingetrokken. De vader heeft zich juist de afgelopen twee jaar ingezet om hulpverlening voor [voornaam minderjarige] te zoeken.
Door en namens de vader worden zijn primaire verzoek en zijn subsidiaire verzoeken gehandhaafd.
6. Het advies van de Raad
De Raad handhaaft het eerder gegeven advies om de vader te belasten met het eenhoofdig gezag. De huidige situatie leidt tot stagnatie van de hulpverlening voor [voornaam minderjarige] . Het is zorgelijk dat de moeder het gezag inzet als onderhandelingsmiddel en dat toestemming voor vakanties wordt geweigerd zolang het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] niet is hersteld. Dit is niet in het belang van [voornaam minderjarige] en draagt niet bij aan het herstel van het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] . Ten aanzien van de ondertoezichtstelling zijn de gronden aanwezig. Wel rijst de vraag welke concrete stappen de GI de afgelopen periode heeft gezet. De GI heeft aangegeven in te willen zetten op PSO. De inzet van PSO op dit moment is niet passend, omdat [voornaam minderjarige] het contact met één van de ouders volledig afwijst. Voor PSO is een basis van contact met beide ouders nodig. Desondanks kan een verlenging van de ondertoezichtstelling met de inzet van een nieuwe jeugdbeschermer mogelijk alsnog tot een verbetering van de situatie leiden.
7. De beoordeling
Ten aanzien van C/10/719742 / JE RK 26-935
Verlenging ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [voornaam minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [voornaam minderjarige] bevindt zich in een langdurig conflict tussen de ouders. De ouders zijn niet in staat om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en beslissingen te nemen in het belang van [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] heeft in het verleden bij de moeder thuis gebeurtenissen meegemaakt die voor hem belastend zijn geweest. Hij staat hierdoor niet open voor contact met de moeder. Mogelijk wordt dit versterkt door het loyaliteitsconflict waarin [voornaam minderjarige] zich bevindt. Daarnaast is sprake van kindeigen problematiek.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders zijn niet in staat de noodzakelijke hulpverlening in overleg vorm te geven, waardoor de problematiek het vrijwillige kader overstijgt. De betrokkenheid van de GI blijft noodzakelijk om de regie te voeren, de hulpverlening in te zetten en de voortgang daarvan te monitoren. Dat geldt zowel voor hulpverlening voor de communicatie tussen ouders, maar vooral ook voor individuele hulpverlening voor [voornaam minderjarige] . De kinderrechter constateert dat de GI de afgelopen periode onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Hierdoor is het vertrouwen van de ouders in de GI verminderd. De huidige jeugdbeschermer heeft aangegeven geen mogelijkheden meer te zien om de situatie te verbeteren, waardoor een nieuwe jeugdbeschermer zal worden ingezet. De kinderrechter acht het van belang dat de nieuwe jeugdbeschermer de zaak met een frisse blik oppakt en voortvarend aan de slag gaat.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van vier maanden. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 24 december 2026. De kinderrechter verlengt voor een kortere duur dan verzocht om vinger aan de pols te houden.
De GI wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de moeder, mr. J. van der Stel, de vader, mr. J. Wittens en de Raad) te overleggen over de dan huidige stand van zaken en aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd.
Ten aanzien van C/10/685408 / FA RK 24-6597
Beëindigen gezamenlijk gezag
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
De rechtbank is van oordeel dat in deze kwestie voldoende vast is komen te staan dat sprake is van een gewijzigde situatie en dat wijziging van het gezag in het belang van [voornaam minderjarige] is. Bij beschikking van 8 juli 2025 heeft de rechtbank de beslissing ten aanzien van het gezag aangehouden. Daarbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk overwogen dat het aan de moeder is om te laten zien dat zij in het belang van [voornaam minderjarige] wil handelen en zij het gezag niet als onderhandelingsmiddel gebruikt. Daarin is de moeder niet geslaagd. De vader heeft in december 2025 al opnieuw vervangende toestemming voor de vakantie moeten vragen. Ter gelegenheid van de zitting van 14 juli 2026 heeft de moeder bovendien ten aanzien van de verzochte toestemming voor de zomervakantie verklaard dat zij deze niet zou verlenen, omdat er eerst contactherstel moest plaatsvinden. Daar komt bij dat de moeder, zoals door de vader onweersproken is gesteld, het afgelopen jaar herhaaldelijk negatieve berichten over de vader op social media heeft gezet, onder meer in een groep voor Litouwse Nederlanders. De moeder laat daarmee zien dat zij er nog steeds niet in slaagt het belang van [voornaam minderjarige] voorop te stellen en haar gezag niet als onderhandelingsmiddel in te zetten.
Uit het voorgaande volgt dat [voornaam minderjarige] bij het voortduren van het gezamenlijk gezag klem en verloren dreigt te raken. Gelet het voorduren van het misbruiken van het gezag door de moeder, ondanks de expliciete overweging daarover in de beschikking van 8 juli 2025, is evenmin te verwachten dat op dit punt binnen afzienbare termijn verbetering zal optreden.
Gelet op de ernst en de duur van de problematiek en het ontbreken van perspectief op verbetering binnen het gezamenlijk gezag, ziet de rechtbank geen minder ingrijpende maatregel. Het beëindigen van het gezag van het gezamenlijk gezag, te weten het gezag van de moeder, is daarom noodzakelijk in het belang van [voornaam minderjarige] .
Door de beëindiging van het gezag van de moeder heeft voortaan alleen de vader het gezag over [voornaam minderjarige] . De rechtbank komt daarmee niet toe aan de behandeling van de subsidiaire verzoeken.
Zorg- dan wel omgangsregeling
[voornaam minderjarige] staat op dit moment niet open voor contact met de moeder. Het is van belang dat [voornaam minderjarige] eerst de noodzakelijke hulpverlening krijgt en dat vervolgens wordt bekeken welke stappen passend zijn en in welk tempo contactherstel mogelijk is. Het afdwingen van contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder wordt niet in zijn belang geacht en zal mogelijk averechts werken. Van de moeder wordt verwacht dat zij [voornaam minderjarige] hierin rust en ruimte geeft en aansluit bij zijn tempo. Ook van de vader wordt verwacht dat hij hierin een ondersteunende rol inneemt en ruimte biedt voor mogelijk toekomstig contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. Op dit moment is contactherstel niet in het belang van [voornaam minderjarige] . Het verzoek van de moeder zal daarom worden afgewezen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8. De beslissing
De kinderrechter:
Ten aanzien van C/10/719742 / JE RK 26-935
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 24 december 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige tot 1 november 2026 pro forma;
bepaalt dat partijen op de genoemde pro-forma datum niet ter zitting hoeven te verschijnen;
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder, mr. J. van der Stel, de vader, mr. J. Wittens en de Raad) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Ten aanzien van C/10/685408 / FA RK 24-6597
beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder] , geboren op 28 februari 1985, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] , waardoor voortaan alleen de vader het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] uitoefent;
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister.
wijst het zelfstandige verzoek van de moeder af;
wijst het meer of anders verzochte af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.