RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/711050 / JE RK 25-2493 en C/10/711946 JE RK 25-2615
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Boonstra, kantoorhoudende te Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 1 december 2025, ontvangen op 2 december 2025 (C/10/711050 / JE RK 25-2493);
het gezinsplan van de GI van 9 december 2025, ontvangen op diezelfde datum;
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 16 december 2025, ontvangen op 17 december 2025 (C/10/711946 / JE RK 25-2615);
het zorgplan van JeugdProfs ontvangen op 29 december 2025;
het (aanvullende) verslag van JeugdProfs van 29 december 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 februari 2026.
3. De verzoeken
Ten aanzien van C/10/711050 / JE RK 25-2493
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van C/10/711946 / JE RK 25-2615
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De afgelopen periode is er hard gewerkt om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder. Gezien wordt dat de moeder heel hard haar best doet en liefdevol en meewerkend is. Desondanks wordt de moeder ook met regelmaat overvraagd. Het netwerk van de moeder springt daarom regelmatig bij in de opvoeding en verzorging van [minderjarige] , maar dit is voor de moeder nog onvoldoende om rust en balans te vinden in de zorg voor [minderjarige] . De GI is op zoek gegaan naar andere mogelijkheden en heeft de moeder en [minderjarige] aangemeld voor Buurtgezinnen en voor een kinderdagverblijf. Tot voor kort was de moeder welwillend en zag zij de voordelen hiervan. De moeder is onlangs tot de beslissing gekomen dat zij [minderjarige] niet naar het kinderdagverblijf wil brengen omdat het voor haar te belastend is om [minderjarige] weg te brengen door de trappen die zij op- en af moet lopen naar haar appartement. Alleen als de GI een woning op de begane grond of eerste verdieping regelt voor de moeder, wil zij medewerking verlenen. De GI acht het noodzakelijk dat [minderjarige] naar een kinderdagverblijf gaat waar hij zich verder kan ontwikkelen en in contact komt met andere kinderen. Omdat de moeder niet bereid is [minderjarige] te brengen naar een kinderdagverblijf, verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin, om zo moeder te helpen in het versterken van haar draagkracht en draaglast. De moeder volgt momenteel een traject bij Antes wat haar helpt bij het aanbrengen van structuur in haar leven. De moeder is op dit moment onvoldoende gemotiveerd en bereid waardoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. De GI heeft een pleeggezin op het oog en vindt het belangrijk dat [minderjarige] daar voor een langere tijd kan blijven.
Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het gaat momenteel goed met de moeder. Zij wil stoppen met haar medicatie zodra haar huidige zorgmachtiging is afgelopen. De moeder wil graag dat [minderjarige] thuis blijft wonen. Het is voor de moeder lastig om [minderjarige] naar een kinderdagverblijf te brengen omdat zij op de vierde etage woont, dit is zwaar en brengt gevaarlijke situaties met zich mee. De familie van de moeder helpt veel. De moeder staat open voor alle vormen van hulpverlening en is meewerkend. De moeder is stellig in haar standpunt dat het voor haar te zwaar is om [minderjarige] naar de vierde etage te tillen en het lukt de GI niet om haar te overtuigen. Het is voor de moeder niet mogelijk om [minderjarige] drie keer per week weg te brengen naar een kinderdagverblijf, de trappen zijn te zwaar voor de moeder.
5. De beoordeling
Ten aanzien van C/10/711050 / JE RK 25-2493
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] woont momenteel bij de moeder met ondersteuning van het netwerk en verschillende hulpverleningsinstanties. Zorgelijk en problematisch is dat, ondanks de begeleiding die de moeder krijgt, de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende gegarandeerd is. De moeder is welwillend maar heeft eigen persoonlijke problematiek waardoor het haar onvoldoende lukt om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. [minderjarige] is gebaat bij ondersteuning in zijn motorische, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling en de moeder is niet in staat om [minderjarige] dit te bieden. De afgelopen periode heeft er daarom geen positieve vooruitgang in de opvoedsituatie van [minderjarige] plaatsgevonden. Vaststaat dat de moeder niet in staat is om zelfstandig voor [minderjarige] te zorgen. Intensieve samenwerking met het netwerk en de betrokken hulpverleners is daarom noodzakelijk om de ontwikkeling van [minderjarige] te monitoren en te ondersteunen.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Ten aanzien van C/10/711946 / JE RK 25-2615
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De moeder heeft in de afgelopen periode meermaals aangegeven dat de zorg voor [minderjarige] haar zwaar valt. Ondanks de ingezette ondersteuning en begeleiding is het niet zo dat de moeder de basale zorg voor [minderjarige] op orde heeft en komt zij niet buiten met [minderjarige] . Evenmin is sprake van een voltooide behandeling voor de persoonlijke problematiek van de moeder, de moeder wenst daarentegen te stoppen met de medicatie die zij nu nog ontvangt op grond van een rechterlijke machtiging. De moeder is door dit alles op dit moment niet in staat voldoende veiligheid en basale zorg te bieden aan [minderjarige] , laat staan hem te begeleiden in zijn ontwikkeling. De kinderrechter acht het op dit moment niet realistisch om aan te nemen dat de moeder met nog meer intensieve hulpverlening de verzorging, opvoeding en verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van [minderjarige] wel op zich kan nemen.
[minderjarige] bevindt zich in een belangrijke fase in zijn leven, waarin hij zich moet kunnen hechten aan degene die hem dagelijks verzorgt en opvoedt. Idealiter is dit de moeder. De kinderrechter benadrukt ter zitting nadrukkelijk dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg niet noodzakelijkerwijs in het belang van [minderjarige] is. Het is in het belang van [minderjarige] om op te groeien bij de moeder, als die kan zorgen voor een veilige ontwikkeling van [minderjarige] . Voor een veilige ontwikkeling van [minderjarige] is onder meer noodzakelijk dat hij buiten komt en contact leert maken met andere kinderen. Daarom acht de kinderrechter het met de GI noodzakelijk dat de moeder [minderjarige] drie keer per week naar een kinderdagverblijf laat gaan en dat de moeder blijft meewerken met de hulpverlening door JeugdProfs. Daarnaast is het voor de veilige ontwikkeling van [minderjarige] bij de moeder noodzakelijk dat de moeder haar eigen medicatie blijft gebruiken. Dat is niet de makkelijkste weg voor de moeder, maar is wel noodzakelijk om de veilige ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen. De moeder blijft ook na herhaaldelijk aandringen door de kinderrechter bij het standpunt dat het haar niet lukt om [minderjarige] weg te brengen naar het kinderdagverblijf, vanwege de trappen die zij op- en af moet lopen. De moeder heeft daarmee ter zitting een keuze gemaakt die niet in het belang van [minderjarige] is, en heeft uitdrukkelijk voor zichzelf gekozen. De moeder laat de kinderrechter daarom geen andere keus. De kinderrechter is met de GI van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] het enige resterende middel is om verdere stagnatie en scheefgroei in de ontwikkeling van [minderjarige] te voorkomen. De kinderrechter verleent daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, als gevraagd voor de duur van zes maanden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
Ten aanzien van C/10/711050 / JE RK 25-2493
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 10 februari 2027;
Ten aanzien van C/10/711946 JE RK 25-2615
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 januari 2026 tot 23 juli 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.