RECHTBANK ROTTERDAM
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5672
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. R. Moghni),
en
(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 18 juni 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het CIZ heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De griffier heeft verzoeker bij aangetekend verzonden brief van 10 juli 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. De nota is gestuurd naar de gemachtigde van verzoeker en is op 14 juli 2026 afgehaald bij een PostNL-punt. Verzoeker heeft op 24 juli 2026 gevraagd om vrijstelling van het verschuldigde griffierecht. Dat verzoek kan alleen worden toegewezen als voldaan is aan criteria met betrekking tot het inkomen. Op 27 juli 2026 is verzoeker daarom in de gelegenheid gesteld om binnen één week hierover stukken in te dienen zodat het verzoek door de rechtbank kan worden beoordeeld. Deze stukken heeft verzoeker op 3 augustus 2026 ingediend. Op basis van deze stukken is het verzoek om vrijstelling op dezelfde dag afgewezen.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. O.C. Bozbiyik als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker (waarnemer) en de gemachtigde van het CIZ.
5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
6. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
7. Aan verzoeker is op 4 augustus 2026 een nieuwe nota gestuurd om het griffierecht te betalen. Gelet op de naderende zittingsdatum moest verzoeker deze uiterlijk voorafgaand aan de zitting (van 7 augustus 2026) voldoen. De nota is op 6 augustus 2026 afgehaald op een PostNL-punt.
8. Bij aanvang van de zitting heeft de waarnemer bevestigd dat de nota is ontvangen. Hij heeft verklaard dat verzoeker op 6 augustus 2026 naar het kantoor van de gemachtigde is gekomen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst om de waarnemer in de gelegenheid te stellen contact op te nemen met zijn kantoor. Na de schorsing heeft de waarnemer verklaard dat hij ervan uitgaat dat verzoeker het griffierecht heeft betaald, maar dat hij geen betalingsbewijs kan overleggen om dat aan te tonen. De waarnemer heeft vervolgens verklaard dat hij het verzoek om een voorlopige voorziening wenst te handhaven.
9. De voorzieningenrechter kan niet vaststellen dat het griffierecht voorafgaand aan de zitting is betaald. De waarnemer gaat ervan uit dat verzoeker het griffierecht heeft betaald, maar er is geen betalingsbewijs overgelegd om dit te onderbouwen. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.
10. Indien blijkt dat verzoeker het griffierecht heeft betaald, dan zal dit worden teruggestort.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: