ECLI:NL:RBROT:2026:9974

ECLI:NL:RBROT:2026:9974

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer FT RK 26/335
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Faillissement. Ondanks het ontbreken van een concrete steunvordering jegens een met name genoemde partij, is toch voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. De rechtbank baseert haar oordeel op de meest recent gepubliceerde jaarrekening in combinatie met alle door verzoekster geschetste omstandigheden, waaronder een bestuurswissel en adreswijziging.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 28 juli 2026

VONNIS op het op 17 juni 2026 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. P.E.M. Kosters,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] ,

gevestigd te [straatnaam]

[postcode] [vestigingsplaats 2] ,

statutair gevestigde te [locatie] ,

verweerster.

1. De procedure

Op 14 juli 2026 is verzoekster, bij monde van mr. P.E.M. Kosters, advocaat, in raadkamer gehoord.

Verweerster is, hoewel op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen, niet verschenen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 16 juli 2026.

Op schriftelijk verzoek van de rechtbank van 16 juli 2026 heeft mr. Kosters bij

e-mailbericht met bijlagen van 20 juli 2026 de pluraliteit nader onderbouwd. Op 23 juli 2026 heeft mr. Kosters de rechtbank per e-mail nader bericht.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2. De standpunten

Verzoekster stelt onder meer dat zij een opeisbare vordering heeft op verweerster van

€ 48.608,02, te vermeerderen met rente en kosten.

Verzoekster en verweerster waren gezamenlijk aandeelhouders van [bedrijf 1] Verzoekster hield 51% van de aandelen en verweerster hield de overige 49%.

Op 11 augustus 2023 heeft verzoekster haar aandelenbelang verkocht aan verweerster en daarnaast heeft verzoekster aan verweerster een geldlening verstrekt.

Verweerster komt haar betalingsverplichtingen niet na.

De bestuurder van verweerster, de heer [naam] , is per 28 juli 2025 uitgeschreven als bestuurder en in zijn plaats is [bedrijf 2] als bestuurder aangesteld. De bestuurder van [bedrijf 2] is [bedrijf 3] , een entiteit gevestigd op de [vestigingsplaats 3] , een jurisdictie die internationaal onder meer bekend staat om haar beperkte transparantievereisten, hetgeen verhaalsmogelijkheden bemoeilijkt.

Sinds de bestuurswijziging zijn in het geheel geen aflossingen meer gedaan door verweerster en is het voor verzoekster niet meer mogelijk geweest om in contact te komen met het bestuur van verweerster. Ook heeft verweerster sindsdien geen jaarrekeningen meer gepubliceerd, hetgeen de bestaande zorgen over de bedrijfsvoering en het gevoerde bestuur nog verder doet toenemen.

Verder is sprake van een dubieuze adreswijziging. Het adres [straatnaam] blijkt een sociale huurwoning van woningbouwcoöperatie QuaWonen te zijn. Op dit adres staan 53 rechtspersonen ingeschreven, waarvan er reeds drie in staat van faillissement verkeren. En uit de desbetreffende faillissementsverslagen blijkt dat zich in die faillissementen een vergelijkbare situatie heeft voorgedaan: het werkelijke bestuur heeft plaatsgemaakt voor [bedrijf 2] , waarna jaarrekeningen niet meer werden gepubliceerd, schuldeisers onbetaald werden gelaten en contact met het nieuwe bestuur niet meer mogelijk bleek.

Verzoekster is van mening dat het er alle schijn van heeft dat [bedrijf 2] fungeert als katvanger om zodoende verhaalsmogelijkheden van schuldeisers te frustreren.

Ten aanzien van de pluraliteit verwijst verzoekster naar de laatst gedeponeerde jaarrekening, boekjaar 2023. Hieruit blijkt dat verweerster naast verzoekster ten minste één andere schuldeiser heeft. In de jaarrekening staat namelijk een schuld met een looptijd van ten hoogste een jaar van € 29.688. Deze schuld ziet niet op de schuld aan verzoekster. De vordering van verzoekster is ontstaan op 11 augustus 2023, had een looptijd van langer dan een jaar en betreft een afwijkend bedrag. Indien verweerster de overeengekomen aflossingsverplichtingen was nagekomen, zou de restschuld per 31 december 2023

€ 55.891,-- hebben bedragen. Noch de looptijd noch het bedrag van de vordering van verzoekster komt overeen met de in de jaarrekening vermelde schuld.

De voormalig bestuurder van verweerster, de heer [naam] , heeft in eerdere contacten met verzoekster de financiële moeilijkheden van verweerster erkend. De dag voor de zitting heeft de heer [naam] nog contact opgenomen met verzoekster. Hoewel hij niet meer bevoegd is wil hij de problemen graag oplossen. Verzoekster heeft de heer [naam] per e-mailbericht nog gewezen op de zitting, waarbij de heer [naam] erop is gewezen dat hij eventueel per volmacht mag verschijnen.

Noch de heer [naam] , noch het huidige bestuur heeft het vorderingsrecht van verzoekster dan wel de gestelde pluraliteit betwist.

Aannemelijk is volgens verzoekster ook dat verweerster een managementvergoeding verschuldigd is aan haar bestuurder, en dat deze derhalve ook schuldeiser is van verweerster.

3. De beoordeling

De rechtbank oordeelt dat summierlijk is gebleken van het opeisbare vorderingsrecht van verzoekster op grond van de door verzoekster overgelegde stukken.

Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

Verweerster komt de betalingsregeling die met verzoekster is gesloten niet na. Uit door verzoekster geschetste omstandigheden ten aanzien van de bestuurswissel en adreswijziging ontstaat bovendien het beeld dat verweerster tracht zich aan het zicht van haar schuldeisers te onttrekken.

Uit de door verzoekster overlegde jaarrekening van 2023 (die op 18 februari 2025 is gedeponeerd) blijkt voorts van ‘schulden met een looptijd van ten hoogste een jaar’ van

€ 29.688. De rechtbank acht aannemelijk dat, zoals door verzoekster gesteld, deze vordering niet ziet op de vordering van verzoekster, maar ziet op een andere schuld (en schuldeiser). De schuld aan verzoekster, die is ontstaan in augustus 2023, betrof eind 2023 meer dan

€ 55.000,- en is niet vermeld in de jaarrekening. Vastgesteld kan worden, dat het in de jaarrekening van 2023 vermelde actief onvoldoende was om de langlopende schuld zoals vermeld in de jaarrekening en de vordering van verzoekster, te voldoen. Omdat verweerster over het jaar 2024 niet aan haar deponeringsverplichting van artikel 2:394 Burgerlijk Wetboek heeft voldaan, kan niet op basis van een nadere jaarrekening worden vastgesteld dat de langlopende lening waar verzoekster in het kader van de pluraliteit naar verwijst, niet meer bestaat. Verzoekster is niet verschenen en heeft de pluraliteit (dus) ook niet betwist. De advocaat van verzoekster heeft erop gewezen dat in de contacten met de voormalig bestuurder, de financiële problemen van verweerster niet worden ontkend. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom, ondanks het ontbreken van een concrete steunvordering jegens een met name genoemde partij, toch voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers.

De rechtbank zal daarom het faillissement van verweerster uitspreken.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

4. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart [verweerster] voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger, lid van deze rechtbank;

- stelt aan tot curator mr. R.A.J. van Wingerden, advocaat te Rotterdam;

- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van

A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 te 10:00 uur.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.G.E. Prenger

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Insolventierecht 2026/109
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand