RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5861
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoek tot schadevergoeding ingediend. (ROT 25/7356)
Op 14 juli 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Bij besluit van 21 maart 2024 is aan verzoekster per 1 januari 2024 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Het daartegen door haar gemaakte bezwaar is met de beslissing op bezwaar van 4 februari 2025 ongegrond verklaard. Met de uitspraak van deze rechtbank van 25 september 2025 is haar beroep tegen deze beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Op 15 juni 2025 heeft verzoekster wederom bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 maart 2024, omdat zij op 6 mei 2025 aan het werk is gegaan en er een andere referteperiode dient te worden gehanteerd. Het UWV heeft het bezwaarschrift aangemerkt als een verzoek om herziening.
Bij besluit van 28 augustus 2025 heeft het UWV het besluit van
21 maart 2024 herzien. Het UWV heeft conform de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 30 juli 2024 de loonloze tijdvakken uit de berekening van de dagloon gehaald en heeft het dagloon vanaf 1 januari 2024 herzien naar een bedrag van € 115,28. Met het besluit van 4 september 2025 heeft het UWV het verschil aan verzoekster nabetaald. Tevens is de wettelijke rente vergoed.
Verzoekster heeft op 22 september 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het UWV, welk verzoek op 5 november 2025 is afgewezen. Verzoekster heeft ook op 23 september 2025 bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding ingediend (ROT 25/7356).
Verzoekster heeft ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 augustus 2025, waarin de hoogte van het dagloon van haar WIA-uitkering is herzien. Zij is het niet eens met de gehanteerde referteperiode en de hoogte van het dagloon. Het UWV had daarbij uit moeten gaan van het dienstverband dat zij op 6 mei 2025 is aangegaan. Dat bezwaar is met de beslissing op bezwaar van 21 oktober 2025 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster geen beroep ingesteld. Wel heeft zij op 21 oktober en 28 november 2025 aan het UWV een verzoek om herziening verstuurd.
Verzoekster heeft verder ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van
22 september 2025, waarin haar loongerelateerde WIA-uitkering is gewijzigd naar een loonaanvullingsuitkering. Zij heeft op 6 juli 2026 hiertoe nogmaals bezwaargronden ingediend en gevraagd om een beslissing op bezwaar.
Bij besluit van 27 oktober 2025 heeft het UWV de WIA-uitkering van verzoekster gewijzigd, omdat zij geen inkomsten uit arbeid meer had.
Op 15 december 2025 is verzoekster wederom een dienstverband aangegaan. Zij is op 19 december 2025 ziek uitgevallen. Zij ontvangt in verband hiermee een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
Op 14 juli 2026 heeft verzoekster om een voorlopige voorziening verzocht, waarin zij aangeeft dat dit verzoek samenhangt met het verzoek om schadevergoeding (ROT 25/7356) en met de weigering van het UWV om op haar bezwaar van 6 juli 2026 te beslissen.
Het UWV heeft op 28 juli 2026 op het bezwaar en de aanvulling daarop van
6 juli 2026 tegen het besluit 22 september 2025 een beslissing op bezwaar genomen. In haar nadere verzoekschrift in deze procedure heeft verzoekster ook bewaren geuit tegen dit besluit en tegen het besluit van 27 oktober 2025.
De voorlopige voorziening die in deze procedure voorligt
3. Verzoekster geeft aan dat haar verzoek rechtstreeks samenhangt met de bodemprocedure onder zaaknummer ROT 25/7356 (verzoek om schadevergoeding) alsmede met de weigering van het UWV om tijdig te beslissen op het hernieuwde bezwaar van
6 juli 2026 omtrent de onrechtmatige vaststelling en indexering van het WIA-dagloon per 1 oktober 2025. Verzoekster verzoekt daarnaast om direct in de hoofdzaak ROT 25/7356 kort te sluiten.
4. Ter zitting is met partijen besproken waar het verzoek om voorlopige voorziening betrekking op heeft. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb heeft gedaan. In zoverre kan de voorlopige voorziening daar mee samenhangen. Voor zover verzoekster wil dat het verzoek om voorlopige voorziening ook ziet op de onjuiste berekening van haar WIA-uitkering en de gehanteerde referteperiode, ziet de voorzieningenrechter geen lopende procedures bij het UWV dan wel de rechtbank die daar mee samenhangen. Voor zover verzoekster stelt dat het UWV geweigerd heeft om op haar aanvullend bezwaar van 6 juli 2026 te beslissen, is niet gebleken dat zij een beroep wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar heeft ingesteld. Evenmin heeft verzoekster beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 28 juli 2026. Zij kan tegen dit besluit eventueel alsnog beroep stellen en om een voorlopige voorziening verzoeken. De voorzieningenrechter kan de gestelde onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering in deze procedure niet meenemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft dan ook uitsluitend betrekking op het verzoek om een schadevergoeding.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er sprake van spoedeisend belang?
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Verzoekster voert aan dat het spoedeisend belang erin gelegen is dat sprake is van een onhoudbare hypotheekachterstand doordat zij voor langere tijd te weinig aan uitkering ontvangt. Er is een (gedwongen) verkoop van haar woning in gang gezet en de stress rondom een dreigende dakloosheid heeft ertoe geleid dat aan haar een medische urgentie voor een woning (fase I) is toegekend. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen.
Het inhoudelijke oordeel
7. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit of die andere onrechtmatige handeling, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
Het UWV heeft het besluit van 21 maart 2024, dat is herzien, onrechtmatig geacht. De voorzieningenrechter zal dit besluit dan ook aanmerken als het schadeveroorzakend besluit. Het UWV moet de uit dat besluit voortvloeiende schade vergoeden.
Verzoekster wenst met haar verzoek om voorlopige voorziening een voorschot te krijgen op de verzochte schadevergoeding. Een dergelijk verzoek is verstrekkend, omdat een oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel is en dus nog niet vaststaat dat die schadevergoeding in de bodemprocedure zal worden toegekend.
Het UWV heeft eerder op basis van de op 1 januari 2024 geldende wet- en regelgeving het dagloon van verzoekster vastgesteld en na een herzieningsverzoek het dagloon conform de nieuwe uitgangspunten berekend en hoger vastgesteld. De uitkering is vervolgens nabetaald en de wettelijke rente is hierover vergoed. In zoverre is de door het onrechtmatige besluit ontstane vermogensschade reeds door het UWV vergoed. Verzoekster heeft een schuld van € 30.000 bij de Belastingdienst. De voorzieningenrechter wijst er op dat de schulden bij de Belastingdienst al in 2022 zijn ontstaan, zodat er geen causaal verband tussen het besluit van 21 maart 2024 en deze schulden lijkt te bestaan. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster ook schulden bij familie heeft en kosten voor het inrichten van een woning heeft gemaakt. Verzoekster heeft deze kostenposten niet nader onderbouwd, en ook geen bewijsstukken overgelegd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld in hoeverre deze schadeposten verband houden met het besluit van 21 maart 2024. Verzoekster heeft ook om vergoeding van immateriële schade gevraagd. Ook hiervan heeft verzoekster geen onderbouwing gegeven van het causaal verband. Eveneens ontbreken er bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld medische verklaringen. Voor zover verzoekster haar verzoek om schadevergoeding niet voldoende heeft onderbouwd kan zij dit in de bodemprocedure alsnog doen. Zij dient hiertoe de schadeposten nader toe te lichten en bewijsstukken van de ontstane schade in te dienen.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op wat in 7.3. is overwogen, geen reden om verzoekster een voorschot op het verzoek om schadevergoeding te verlenen.
8. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter erop dat verzoekster juridische hulp kan zoeken bij bijvoorbeeld het juridisch loket.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: