Rechtbank ‘s-Gravenhage
UITSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen
sector bestuursrecht
derde afdeling, enkelvoudige kamer
Reg. nr. AWB 06/7563 MAWKLU
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
De Commandant der Luchtstrijdkrachten, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Op 6 maart 2006 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van een ontberingstoelage.
Bij besluit van 26 april 2006 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 mei 2006 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 12 september 2006, ingekomen bij de rechtbank op 13 september 2006, beroep ingesteld.
De zaak is op 27 maart 2007 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B. Damen, advocaat.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rentema-Westerhof.
Motivering
De rechtbank gaat voor de beoordeling van het onderhavige geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser is in de rang van Sergeant der eerste klasse werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht. Van 23 januari 2006 tot en met 11 februari 2006 heeft eiser deelgenomen aan de oefening “Artic Star” in Vidsel in Zweden. Eiser is een week voor de start van de oefening vooruitgereisd en heeft gedurende die week op het vliegveld van Vidsel voorbereidingen getroffen voor de oefening.
Eiser stelt zich op het standpunt dat hij vanwege zijn deelname aan genoemde oefening recht heeft op een ontberingstoelage als bedoeld in artikel 13 lid 2 van de Inkomstenregeling militairen (IRM). Hiernaast heeft eiser er in beroep op gewezen dat personeel van de Luchtmobiele Brigade van de Koninklijke Landmacht en personeel van de Koninklijke Luchtmacht voor de grondverdediging (OGRV) van de vliegbasis Volkel die ook aan de oefening hebben deelgenomen wel een ontberingstoelage hebben ontvangen.
In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de ontberingstoelage moet worden gezien als een financiële compensatie voor ontstane ontberingen als gevolg van leven en werken onder zware klimatologische omstandigheden, zware terreingesteldheid, afgelegen oefengebieden en zware fysieke belasting. Hierbij moet volgens verweerder gedacht worden aan het oefenen in tentjes, het verplaatsen inclusief zware bepakking en het langdurig onderworpen zijn aan temperaturen ver onder 0 in een polair gebied. Aangezien eiser niet 24 uur per dag in de kou hoefde te verblijven maar in een hotel overnachtte en er bovendien sprake was van enige vrije tijd waren de leef- en werkomstandigheden niet van dien aard dat zij aanspraak op een ontberingstoelage rechtvaardigen. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift bovendien op het standpunt gesteld dat de plaats Vidsel zich niet in de poolcirkel bevindt en de oefening derhalve niet heeft plaatsgevonden in polair gebied.
Artikel 13 IRM luidt als volgt:
In dit artikel wordt verstaan onder militaire oefening: een als zodanig door de bevelhebber aangemerkte aaneenschakeling van activiteiten waarmee situaties van operationele inzet worden nagebootst waarbij theoretisch onderwezen bekwaamheden in praktijk worden gebracht teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken of andere vormen van operationele inzet te verwerven, te vergroten of te onderhouden; daarbij zal in de regel sprake zijn van lange of onregelmatige werktijden en permanente beschikbaarheid ten behoeve van de dienst.
De militair die voor een tijdvak van langere duur dan veertien achtereenvolgende dagen deelneemt aan een militaire oefening in polair gebied onder feitelijk bezwarende arctische omstandigheden of in tropisch regenwoud onder feitelijk bezwarende tropische omstandigheden, heeft aanspraak op een toelage, waarvan het bedrag is opgenomen in tabel 9.
Niet betwist is dat voldaan is aan de voorwaarde dat sprake is geweest van een militaire oefening van langer dan veertien dagen. Voorts is in het bestreden besluit niet tegengeworpen dat de oefening niet zou hebben plaatsgevonden in polair gebied. De eerst in beroep opgeworpen stelling dat eiser niet in aanmerking komt voor de toelage omdat niet voldaan is aan de eis dat de oefening moet hebben plaatsgevonden in polair gebied wordt mede hierom gepasseerd. In dit verband neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verweerder aan zijn personeel van de OGRV die aan dezelfde oefening hebben deelgenomen wel een ontberingstoelage heeft verstrekt op grond van artikel 13 IRM.
Ten aanzien van de voorwaarde dat sprake moet zijn geweest van feitelijk bezwarende arctische omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. Uit de tekst van de bepaling blijkt niet dat verweerder enige beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van de toelage op grond van deze bepaling. Gelet hierop dient de rechtbank te toetsen of verweerder het begrip feitelijk bezwarende arctische omstandigheden juist heeft uitgelegd. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de term bezwarend gelezen dient te worden in samenhang met het daaropvolgende woord arctische en derhalve ziet op de feitelijke bezwarende blootstelling aan klimatologische omstandigheden. De tekst en de strekking van de bepaling geeft geen aanleiding voor de lezing dat tevens sprake moet zijn van zware terreingesteldheid en zware fysieke belasting.
Reeds hierom acht de rechtbank het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende heeft weerlegd. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij niet 24 uur per dag in de kou hoefde te verblijven, maar in een hotel overnachtte. Verweerder heeft echter niet betwist dat het personeel van de OGRV evenmin 24 uur per dag buiten was en na de dienst in verwarmde cabines verbleef en overnachtte. Voorts is evenmin betwist dat de personeelsleden van de Luchtmobiele Brigade van de Koninklijke Landmacht die ook bedoelde ontberingstoelage hebben ontvangen in hetzelfde hotel verbleven als eiser.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Het besluit zal derhalve wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- , te weten
€ 322,-- voor het beroepschrift en € 322,-- voor het verschijnen ter zitting.
Voorts wordt verweerder veroordeelt tot vergoeding van de door eiser gemaakte reiskosten om de zitting bij te wonen. Deze bedragen € 38,36 (op basis van openbaar vervoer).
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 3 augustus 2006;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 141,--, vergoedt;
veroordeelt evengenoemde rechtspersoon in de proceskosten ten bedrage van € 644,-- en € 38,36, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. M.T. Paulides en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.J.C. de Jong.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op: