ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7251

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7251, Rechtbank 's-Gravenhage, 07-12-2010, Awb 10/41038 VRONTN/CM

Instantie Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak 07-12-2010
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer Awb 10/41038 VRONTN/CM
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2011:BQ2731
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Eiser is in bewaring gesteld ondanks dat hij zich altijd aan de meldplicht heeft gehouden: " (...). Verweerder heeft er geen blijk van gegeven dat er sprake is van vrees van onttrekking. Eiser heeft zich ondanks een eerdere inbewaringstelling, de uitspraak van de rechtbank over zijn asielaanvraag en de ingediende LP-aanvraag gehouden aan zijn meldplicht, zodat het standpunt van verweerder dat hij vreest dat eiser zich zal ontrekken aan zijn uitzetting onbegrijpelijk is. Vast staat dat eiser zich heeft gehouden aan de opgelegde meldplicht. Deze meldplicht is dus een bewezen effectief lichter middel dan vreemdelingenbewaring. Verweerder is van mening dat een lichter middel niet is geïndiceerd omdat de gronden van de vreemdelingenbewaring niet zijn betwist en eiser niet terug wil naar China. De rechtbank is van oordeel dat indien een lichter middel bewezen effectief is, er een reden, dus een gewijzigde omstandigheid, moet zijn om het uiterste middel van vreemdelingenbewaring toe te passen. Verweerder heeft geen wijziging van omstandigheden aangedragen die de vreemdelingenbewaring rechtvaardigen".

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr.: Awb 10/41038 VRONTN/CM

uitspraak van de enkelvoudige kamer

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[naam],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

van Chinese nationaliteit,

thans verblijvende in het detentiecentrum te Rotterdam,

[justitienummer],

eiser,

gemachtigde: mr. P.T. van Alkemade, advocaat te 's-Hertogenbosch;

tegen

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. C.L.W. Slycke-van Dort, ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

1. Procesverloop

Op 23 november 2010 is eiser met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld (op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000).

Eiser heeft op 26 november 2010 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep strekt mede tot toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 december 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door een tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank laten weten niet bij de zitting aanwezig te zijn.

2. Standpunten

Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Eiser is van mening dat er geen zicht op uitzetting naar China is. Als dat uitzicht er wel is dan zou verweerder moeten kiezen voor een lichtere maatregel dan vreemdelingenbewaring.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van schadevergoeding af te wijzen.

3. Overwegingen

De rechtbank is van oordeel dat er zicht op uitzetting naar China bestaat, omdat er door de Chinese autoriteiten in 2010 LP’s zijn afgegeven. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Raad van State van 9 augustus 2010 (LJN BN 4049). Het primaire standpunt van eiser kan dan ook niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

Beoordeeld dient te worden of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd zijn.

Eiser heeft gesteld dat hij zich tot zijn inbewaringstelling heeft gehouden aan de meldplicht en dat er geen wijzigingen zijn opgetreden die de vreemdelingenbewaring rechtvaardigen.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen de volgende feiten niet ter discussie staan en derhalve als vaststaand moeten worden beschouwd.

- eiser wil niet terug naar China en heeft dit ook nimmer gewild.

- eiser heeft zich gehouden aan zijn meldplicht.

- eiser is eerder, namelijk op 3 juli 2008, in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank heeft deze bewaring op 23 september 2008 opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting.

- eisers asielaanvraag van 3 maart 2009 is afgewezen en na de uitspraak van de rechtbank, van 28 juli 2010 is eiser uitgeprocedeerd.

- de LP-aanvraag van eiser is op 29 september 2010 ingediend bij de Chinese autoriteiten.

- de M 119 Dossier vreemdelingenbewaring vermeldt;

“23-11-2010 Volgens regievoerder zijn er toezeggingen door Chinese amb gedaan dat er weer een aantal lp wordt afgegeven voor illegale chinezen waardoor er wel zicht op uitzetting zou zijn.

Draaiboek gemaakt voor st houding tijdens mpl op 23-11-2010. Afwachten of be zich nog komt melden. Signalering in mpl gemaakt.

23-11-2010 be kwam zich netjes melden bij mpl en is st gehouden en zal in politiebureau Den Bosch ibs worden gesteld. Volgens Hc balie is er zicht op uitzetting ivm afgifte 17 lp vorig jaar door Chinese amb. Mpl beëindigd. Geen dossier of doc aanwezig.”

De rechtbank overweegt dat indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid de vreemdelingenbewaring vordert, deze maatregel kan worden opgelegd. Deze ultieme remedie kan worden toegepast om te voorkomen dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken. Indien de vrees van onttrekking niet bestaat, kan een vreemdeling dus niet in de vreemdelingenbewaring worden gesteld.

De rechtbank kan uit de hiervoor geciteerde tekst uit de M 119 niet anders concluderen dan dat het zicht op uitzetting de reden is geweest om eiser in vreemdelingenbewaring te stellen. Andere redenen lijken er niet te kunnen zijn, omdat er “geen dossier of doc aanwezig” was. Verweerder heeft er geen blijk van gegeven dat er sprake is van vrees van onttrekking. Eiser heeft zich ondanks een eerdere inbewaringstelling, de uitspraak van de rechtbank over zijn asielaanvraag en de ingediende LP-aanvraag gehouden aan zijn meldplicht, zodat het standpunt van verweerder dat hij vreest dat eiser zich zal ontrekken aan zijn uitzetting onbegrijpelijk is.

Vast staat dat eiser zich heeft gehouden aan de opgelegde meldplicht. Deze meldplicht is dus een bewezen effectief lichter middel dan vreemdelingenbewaring. Verweerder is van mening dat een lichter middel niet is geïndiceerd omdat de gronden van de vreemdelingenbewaring niet zijn betwist en eiser niet terug wil naar China.

De rechtbank is van oordeel dat indien een lichter middel bewezen effectief is, er een reden, dus een gewijzigde omstandigheid, moet zijn om het uiterste middel van vreemdelingenbewaring toe te passen. Verweerder heeft geen wijziging van omstandigheden aangedragen die de vreemdelingenbewaring rechtvaardigen.

Uit bovenstaande volgt dat verweerder had moeten volstaan met het continueren van de opgelegde meldplicht en dat daarom de vreemdelingenbewaring van meet af aan onrechtmatig is. Verweerders vrees dat eiser zich zou onttrekken aan zijn uitzetting is nergens op gestoeld en daarom onbegrijpelijk en onterecht. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren wegens schending van artikel 59 Vw 2000.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiser, in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om hem een schadevergoeding toe te kennen van € 955,00 (3 x € 105 en 8 x € 80).

Ondanks de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank geen aan¬leiding verweerder te veroorde¬len tot vergoeding van de door de eiser gemaakte proceskosten, omdat de gemachtigde van eiser -zonder mededeling aan eiser en in strijd met diens wens- niet ter zitting is verschenen.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van 7 december 2010;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent toe een bedrag van € 955,00.

Aldus gedaan door mr. B.T.C. Jordaans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Akfidan-Turan, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.T.C. Jordaans

Griffier

  • mr. A. Akfidan-Turan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?