2
Feiten en standpunten van partijen
Eiser heeft bij de voormalige boerderij, die hij in november 2000 in eigendom had verworven, op het perceel zonder bouwvergunning een bestaande paardenbak met een afmeting van circa 22 x 44 meter en een afscheiding van 3 x 10 meter verwijderd en een paardenbak van 20 x 60 meter en een bijbehorend hekwerk van 1 meter hoogte gebouwd, alsmede een paddock met een afmeting van 10 x 20 meter met bijbehorend hekwerk van circa 1,50 meter hoogte aangebracht.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, zijn standpunt gehandhaafd dat de paardenbak op het perceel niet groter mag zijn dan de oorspronkelijke grootte van 22 x 44 meter en eiser aangeschreven om, als de paardenbak niet teruggebracht wordt tot de oorspronkelijke grootte, de zonder bouwvergunning gerealiseerde paardenbak en het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom van € 113,45 per week, met een maximum van € 11.344,51.
Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de paardenbak in strijd is met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften). In afwijking van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de wijze waarop eiser paarden houdt niet kan worden aangemerkt als een hobbymatige activiteit die in overeenstemming is met de voorschriften van het toekomstige bestemmingsplan. In dit plan heeft het perceel de bestemming "Woondoeleinden" en ter plaatse zijn paardrijdactiviteiten niet toegestaan.
Verweerder heeft niet langer zijn standpunt gehandhaafd dat tegen de paddock handhavend kan worden opgetreden.
Eiser heeft - samengevat - aangevoerd dat hij niet op een bedrijfsmatige wijze maar hobbymatig paarden houdt; zijn vrouw is dressuurrijdster. Het hobbymatig houden van paarden is volgens eiser niet strijdig met het toekomstige bestemmingsplan nu een woonbestemming in dit toekomstige plan ruimte biedt aan hobbyboeren. De ruimtelijke uitstraling van het gebruik van het perceel voor het hobbymatig houden van paarden is volgens eiser passend bij een woonbestemming en vergelijkbaar met hobbyboeren. De ligging van het perceel in het buitengebied en het gebruik van het perceel sluiten goed aan bij de historische agrarische functie van het gebied, waarbij de openheid van het gebied in stand blijft. Het gebruik past bovendien in het provinciaal beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing.
Eiser heeft er voorts op gewezen dat op het perceel sinds 1988 een paardenbak aanwezig is geweest en dat deze is aangepast aan de in de dressuursport gehanteerde standaardmaat van 20 x 60 meter. Bestaande hekwerken zijn verwijderd en het hout daarvan is gebruikt voor de aanpassing van de paardenbak.
Verweerder heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan de in het bestemmingsplan vervatte toverformule nu strikte toepassing van de gebruiksbepaling zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik van het perceel die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd, zeker nu als gevolg van de boerderijverplaatsing in het kader van de ruilverkaveling het perceel blijvend aan de landbouw is onttrokken.
Eiser heeft verwezen naar _het advies van het [adviesbureau] dat heeft gesteld dat het niet bedrijfsmatig houden van paarden in het nieuwe bestemmingsplan niet kan worden uitgesloten.
Verweerder heeft bij zijn besluit, aldus eiser, onvoldoende zijn belangen betrokken. Verweerder heeft zich niet uitgelaten over de bij eiser gewekte verwachtingen omtrent het afzien van handhavend optreden, de vraag of omwonenden hinder ondervinden van de paardenbak en het belang dat zou zijn gediend met handhavend optreden.
Toepasselijk recht
Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (Ww), is het verboden zonder of in afwijking van een bouwvergunning te bouwen.
Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarische bebouwing". Ingevolge artikel 4, lid A van de planvoorschriften mogen op de als zodanig bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd:
bouwwerken, in ruimtelijke samenhang ten opzichte van elkaar, welke blijkens aard en indeling rechtstreeks en uitsluitend ten dienste van een agrarisch bedrijf staan;
bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van het verrichten van agrarische loonwerkzaamheden, mits deze gebouwen en andere bouwwerken een onderdeel vormen van een agrarisch bedrijf(..).
Ingevolge artikel 4, lid B, van de planvoorschriften is het verboden de tot "Agrarische bebouwing" bestemde gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.
Ingevolge artikel 4, lid D, onder III, van de planvoorschriften, verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde in de leden B en C indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
In artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Beoordeling van het geschil
De rechtbank heeft in deze zaak te beoordelen of verweerder op juiste wijze invulling heeft gegeven aan zijn bevoegdheid tot handhavend optreden.
De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet beschikte over een bouwvergunning voor het realiseren van de paardenbak. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de rechtbank staat vast, dat de geldende planvoorschriften ter plaatse geen paardenbak toestaan. Verweerder was derhalve ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet, bevoegd om hiertegen handhavend op te treden. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat ingeval van een illegale situatie, te meer indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen die illegale situatie op te treden, alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden kan worden afgezien. Verweerder is derhalve in beginsel gehouden tot handhavend optreden. Een bijzonder geval kan aanwezig zijn indien concreet zicht bestaat op legalisering.
Met het oog op de mogelijkheid van legalisering dient beoordeeld te worden of het onderhavige gebruik strijdig is met de in de toekomstige planvoorschriften aan het perceel toegekende woonbestemming. Bij deze beoordeling is van doorslaggevend belang de ruimtelijke uitstraling die het gebruik van het perceel gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft en of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer te rijmen valt met de woonfunctie van het perceel. De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder, in strijd met zowel de geldende als toekomstige planvoorschriften, heeft ingestemd met een paardenbak tot de oorspronkelijke grootte van 22 x 44 meter. Tussen partijen is voorts niet in geschil, en ook de rechtbank gaat daarvan uit, dat eiser op hobbymatige wijze paarden houdt en dat er geen sprake is van het beroep- of bedrijfsmatig houden van paarden in de vorm van een manege of een rijschool. Vast staat dat het perceel is gelegen in landelijk gebied en dat de woning van eiser voorheen een agrarische functie heeft gekend.
De rechtbank overweegt voorts dat ingevolge de toekomstige planvoorschriften het houden van paarden en pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen en te weiden op het perceel niet is toegestaan, terwijl verweerder (de ruimtelijke uitstraling van) hobbyboeren ter plaatse aanvaardbaar heeft geacht. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de ligging van het perceel in het landelijk gebied, dat het hobbymatig houden van paarden door eiser in beginsel in overeenstemming is met de bestemming woondoeleinden.
Dit laatste neemt niet weg dat verweerder op grond van algemene en planologische belangen handhavend zou kunnen optreden en dat daarbij een rol zou kunnen spelen dat het houden van paarden en pony's voor eigen gebruik in het toekomstige bestemmingsplan is uitgesloten. In het onderhavige geval heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gemotiveerd waaruit deze belangen zouden bestaan, zeker nu verweerder wel heeft ingestemd met de aanwezigheid van een paardenbak in de oorspronkelijke omvang, nog daargelaten het antwoord op de vraag of de bepaling van artikel 20 van de toekomstige planvoorschriften met betrekking tot de toelaatbaarheid van paardrijdactiviteiten verbindend is in het licht van artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Verweerder heeft met betrekking tot dit laatste naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom ter plaatse wel hobbyboeren zijn toegestaan maar dat voor het hobbymatig houden van paarden geen ruimte zou zijn. Hierdoor kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek en komt het besluit wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar van eiser dienen te nemen.
Wat betreft eisers beroep op het vertrouwensbeginsel is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van ondubbelzinnige, onvoorwaardelijke en bevoegd gedane toezeggingen van verweerder dat van handhavend optreden zou worden afgezien. Met betrekking tot eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft eiser geen concrete verwijzingen naar vergelijkbare gevallen aangevoerd, zodat verweerder niet in staat is geweest om daarop te reageren en de rechtbank evenmin een oordeel kan vormen.
Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor eiser begroot op € 644,- voor het beroepschrift en het verschijnen ter zitting.
Beslist wordt als volgt.
3
De rechtbank Utrecht, recht doende,
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt het besluit van verweerder van 8 juli 2002,
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,- aan hem vergoedt,
veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van € 644,-, te betalen door de gemeente Abcoude.
Aldus vastgesteld door mr. J. Struiksma, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2003.
het lid van de enkelvoudige kamer
Drs. H. Maaijen
Afschrift verzonden op: 2 6 AUG 2003
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA
's-Gravenhage.