RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht
Registratienummer: Awb 12/2113
Proces-verbaal van de op de zitting door de voorzieningenrechter gedane mondelinge uitspraak in de zaak tussen:
[…],
en
[…],
beiden wonende te Urk, verzoekers,
gemachtigde: mr. H. Hulshof,
en
het college van burgemeester en wethouders van Urk,
verweerder.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting doet de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak.
1. Beslissing
De voorzieningenrechter:
-verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,00 te betalen aan de griffier van deze rechtbank;
- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 42,00 vergoedt.
2. Overwegingen
2.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2. Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekers per
1 september 2012 geblokkeerd. Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt.
Op 10 oktober 2012 hebben verzoekers verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de werking van het bestreden besluit wordt geschorst.
2.3. Verweerder heeft ter zitting het namens hem gedane verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb ingetrokken.
2.4. Uit het besluit van 4 oktober 2012 wordt niet duidelijk op welke wettelijke grondslag het besluit berust om betaling van eisers bijstandsuitkering te blokkeren. Gelet op het verhandelde ter zitting komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het besluit van verweerder tot het blokkeren van de uitbetaling van eisers bijstandsuitkering is gebaseerd op exact dezelfde gronden als omschreven in artikel 54, eerste lid van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Daarin is bepaald dat, indien de belanghebbende voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten.
2.5. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het recht van verzoekers op bijstand kunnen opschorten. Uit de observatieverslagen van de Sociale Recherche in samenhang met de door verzoekers afgelegde verklaringen heeft verweerder kunnen afleiden dat de door verzoekers overgelegde urenoverzichten niet overeenkomen met de door verzoeker daadwerkelijk gewerkte uren.
Ingevolge artikel 54 WWB komt aan verweerder geen langere periode van opschorting toe dan 8 weken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het verweerder niet toegestaan die wettelijke beperking te omzeilen of te ontduiken door de toegepaste maatregel geen opschorting van het recht op bijstand, maar blokkering van de uitbetaling van de uitkering te noemen. Een “blokkering” kan dus van rechtswege niet langer duren dan een op dezelfde gronden mogelijke opschorting van het recht op bijstand ingevolge artikel 54 WWB. Die periode is reeds verstreken, zodat verweerder al met ingang van 28 oktober 2012 gehouden is de betaling van de bijstandsuitkering van verzoekers te hervatten. Gelet hierop hebben verzoekers geen belang bij de verzochte voorziening, zodat de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.
2.6. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder als de materieel in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat hij aan verzoekers het betaalde griffierecht vergoedt.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door mr. P.H. Banda, voorzieningenrechter, en door hem en F. Arbeider als griffier is ondertekend. Zijnde de griffier buiten staat mede te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2012.
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.