RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/665469-17
vonnis van de meervoudige kamer van 25 juli 2019
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 1992 te [geboorteplaats] ( [land] )
wonende aan [woonplaats]
raadsvrouw mr. N. van Vliet, advocaat te Breda
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 juli 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
Verdachte staat terecht, ter zake dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van
18 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015 te [plaats] ,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2000, die de leeftijd
van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen
van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen/duwen van
zijn penis in de vagina en/of de mond van [slachtoffer] ;
art 245 Wetboek van Strafrecht
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de grotendeels bekennende verklaring van verdachte. Verdachte heeft immers verklaard dat hij seks heeft gehad met [slachtoffer] , die toen 15 jaar oud was. Omstandigheden die zouden kunnen leiden tot een vrijspraak zijn naar de mening van de officier van justitie niet aan de orde. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte] [slachtoffer] na de seks naar heeft thuis gebracht. Zij is uitgestapt en op dat moment was er niks aan de hand en droeg zij haar normale kleding, aldus verdachte. Op basis van de andere verklaringen in het dossier kan worden gesteld dat de door verdachte op dat punt afgelegde verklaring niet kan kloppen. De officier van justitie wijst hiervoor naar de verklaring van de moeder van [slachtoffer] , de verklaring van de buurvrouw en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat [slachtoffer] in verwarde toestand is thuisgekomen en een badjas droeg met daaronder een trui en ondergoed en dat deze kleding binnenstebuiten zat. De officier van justitie heeft – mede gelet hierop – geen reden om aan de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen. De officier van justitie acht op basis van dit alles zowel het brengen van de penis in de vagina als in de mond van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen bewijsverweer als het gaat om het feit dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd door seks te hebben met een meisje die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien had bereikt. Verdachte heeft bekend seks met [slachtoffer] te hebben gehad en onvoldoende onderzoek te hebben gedaan naar haar leeftijd. Naar de mening van de verdediging komt onvoldoende wettig en overtuigend bewijs uit het dossier naar voren als het gaat om het brengen van de penis in de mond van [slachtoffer] . Verdachte dient van dit gedeelte van de tenlastelegging vrijgesproken te worden.
Het oordeel van de rechtbank
Naar aanleiding van de melding op 19 augustus 2015 dat de dochter van [naam] zou zijn verkracht heeft een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met [naam] . Vervolgens is [slachtoffer] – geboren op [geboortedag 2] 2000 – als getuige door de politie gehoord. [slachtoffer] heeft verklaard dat door [medeverdachte] op 18 augustus 2015 contact is gezocht met haar. Toen hij haar die avond kwam ophalen met de auto was hij samen met een man genaamd [alias] ,(zijnde verdachte). Ze zijn naar het appartement gelegen aan de [adres] te [plaats] gereden. Toen ze eenmaal in het appartement waren heeft [slachtoffer] op verzoek van verdachte een fles Red Label uit de auto moeten halen. Na één glas opgedronken te hebben, wilde ze niet meer, maar ze moest blijven drinken van [medeverdachte] . Op enig moment werd de drank zelfs in haar mond geschonken en moest ze gaan dansen. Het eerstvolgende wat [slachtoffer] zich dan weer kan herinneren, is dat ze wakker werd op een matras en tegen [medeverdachte] riep: “nee, nee, nee”. Ze zat op dat moment naakt op hem. Omdat [slachtoffer] schreeuwde duwde [medeverdachte] haar van hem af en is hij naar de woonkamer gegaan. Hierna wilde ook verdachte seks met haar. Ze voelde dat hij met zijn penis in haar vagina ging. [slachtoffer] begon te schreeuwen en verdachte pakte haar van achteren vast. Ze zei dat hij op moest houden, maar dat deed verdachte niet. Het lukte [slachtoffer] niet om verdachte weg te duwen. Ook heeft ze verdachte moeten pijpen. Ze had daarbij geen keus want hij trok aan haar hoofd alsof hij de haren uit haar hoofd trok. In de nacht van 19 augustus 2015 is zij door [medeverdachte] en verdachte voor het vakantiepark – waar zij op dat moment woonachtig was – afgezet.
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] de desbetreffende avond samen met [medeverdachte] heeft opgehaald en dat ze naar het appartement in [plaats] zijn gegaan. Hij wordt [alias] genoemd. Ze hebben alcohol gedronken en hij heeft daar gemeenschap gehad met [slachtoffer] . Hij wist niet dat [slachtoffer] pas 15 jaar oud was en heeft hier verder ook geen onderzoek naar gedaan. [slachtoffer] heeft hem niet hoeven pijpen.
Tussenconclusie
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte in de nacht van
18 augustus 2015 op 19 augustus 2015 handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] , toen 15 jaar oud, welke handelingen in ieder geval bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam door het brengen/duwen van zijn penis in haar vagina. Voor de vraag of ook sprake is geweest van het brengen/duwen van zijn penis in de mond van [slachtoffer] overweegt de rechtbank als volgt.
Betrouwbaarheid van de verklaring
In alle strafzaken dienen aangiftes c.q. verklaringen van slachtoffers kritisch, zorgvuldig en behoedzaam te worden bezien. Dit geldt temeer in zedenzaken, waarin met regelmaat naast de verklaringen van het slachtoffer en verdachte geen getuigenverklaringen voorhanden zijn.
In de onderhavige zaak is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] als betrouwbaar is aan te merken. Er wordt door haar, ondanks dat ze stukken van de avond kwijt was, uitgebreid en consistent verklaard. [slachtoffer] geeft een uitgebreide verklaring over het feit dat zij is opgehaald door verdachte en de medeverdachte, dat ze naar een appartement zijn gegaan, dat er alcohol in het spel was en dat ze seksueel contact heeft gehad met verdachte. Tot zover komt de verklaring van [slachtoffer] in grote mate overeen met de verklaring van verdachte. De rechtbank wordt – als het gaat om de betrouwbaarheid van [slachtoffer] – gesterkt in haar overtuiging als zij kijkt naar de overige omstandigheden die uit het dossier naar voren komen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] samen met de medeverdachte thuis heeft gebracht. Er zou op dat moment niks met haar aan de hand zijn, ze heeft normaal afscheid genomen en zij zou normale kleding hebben gedragen. [naam] heeft hierover echter verklaard dat [slachtoffer] volledig van de wereld was en zwaar onder invloed van alcohol. Een vrouw die ook op het park woont bracht haar thuis en zei dat ze haar had horen roepen en gillen. [slachtoffer] viel hysterisch in de armen van [naam] en moest heel erg huilen. Ze droeg een badjas en daaronder droeg ze een sweater die ze binnenste buiten droeg, net als haar bh en slipje. Ze zei dat ze was verkracht. Door de verbalisanten werd waargenomen dat [slachtoffer] heel onsamenhangend sprak en met haar ogen draaide en dreigde weg te vallen. Uit de blaastest die werd afgenomen kwam een resultaat van 610 µg/l. De verklaring van verdachte – dat er niks met [slachtoffer] aan de hand was en normale kleding droeg – acht de rechtbank in dat licht bezien ongeloofwaardig. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en gaat hier dan ook vanuit voor het bewijs. Het gedrag en de wijze waarop zij gekleed was – toen zij werd afgezet bij de vakantiewoning – past ook beter bij de gang van zaken die [slachtoffer] beschrijft dan bij hetgeen volgens verdachte heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen reden om aan de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen en acht derhalve ook het brengen/duwen van de penis in de mond van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.
Hoewel verdachte heeft aangegeven dat hij destijds niet wist dat [slachtoffer] vijftien jaar oud was, is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht genoemde leeftijden zijn geobjectiveerd, zodat opzet of schuld daaromtrent niet is vereist. Voor een bewezenverklaring van het feit is daarom niet vereist dat verdachte wist dat het slachtoffer ten tijde van de seksuele handelingen nog geen 16 jaren oud was. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd zoals in de tenlastelegging omschreven met iemand die nog niet de leeftijd van zestien haar had bereikt.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 18 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015 te [plaats] ,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2000, die de leeftijd
van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen
van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen/duwen van
zijn penis in de vagina en de mond van [slachtoffer] ;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
21 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft hiermee rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Een gevangenisstraf zou alles wat hij op dit moment heeft opgebouwd doorkruisen. Voorts verzoekt de verdediging rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn. Zij verzoekt aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daarnaast een taakstraf nu verdachte fysiek in staat is deze taakstraf te verrichten.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een meisje van op dat moment vijftien jaar oud. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte [slachtoffer] opgehaald. Ze hebben alcohol gekocht waarna zij naar een appartement in [plaats] zijn gegaan. Hier heeft [slachtoffer] op aandringen van verdachte en zijn medeverdachte een behoorlijke hoeveelheid alcohol genuttigd waarna zij seksueel contact heeft gehad met verdachte. Als eerste geldt dat kinderen van die leeftijd, in elk geval beneden de zestien jaar een grote mate van bescherming verdienen. Die mate van bescherming is zo groot dat ook mogelijk sprake is van ontucht als zij vrijwillig seks hebben met een meerderjarige. Ten tweede heeft te gelden dat minderjarigen, en hun seksuele integriteit, in dit opzicht in alle omstandigheden beschermd dienen te worden, ook tegen de consequenties van hun eigen gedragingen. Daarom is de wetenschap over de leeftijd van [slachtoffer] voor een bewezenverklaring onder artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht niet relevant.
Dat verdachte in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat [slachtoffer] ouder dan zestien was, doet aan het strafbare karakter van zijn handelen dan ook niet af. Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank voorst rekening gehouden met de strafbedreiging die is neergelegd in artikel 245 Wetboek van Strafrecht, te weten een maximale gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en een geldboete van de vijfde categorie. De wetgever heeft hiermee het grote belang aangegeven dat aan de bescherming van minderjarigen in zedenzaken moet worden gehecht. Gezien de ernst van het feit en de gevolgen die een feit als het onderhavige in het algemeen voor het slachtoffer met zich mee brengen, neemt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt. De omstandigheden die uit het dossier naar voren komen, te weten dat [slachtoffer] – een meisje van vijftien jaar – dronken is gevoerd waarna verdachte en zijn medeverdachte tegen haar wil in seks met haar hebben gehad en haar vervolgens dronken voor het vakantiepark in een badjas hebben afgezet maken naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een lagere straf als een gevangenisstraf. De persoonlijke belangen van verdachte, zoals door de verdediging is aangehaald, wegen daarbij niet op tegen de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen en met de omstandigheid dat
artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Ten slotte houdt de rechtbank rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In deze wordt de datum van het eerste verhoor van verdachte, te weten 21 januari 2017, als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Daarmee is de redelijke termijn, te weten met meer dan 6 maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben van 10%.
Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van
365 dagen, passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 328 dagen.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 63 en 245 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
8. De beslissing
Strafbaarheid
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft
bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit
het seksueel binnendringen van het lichaam;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 328 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Linden, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van De Klerk-Van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 juli 2019.
Mr. Mullers is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.