RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/436379 / KG ZA 25-296
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding, gehouden op 9 juli 2025
In de zaak van
STICHTING AMARANT,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Amarant,
advocaat: mr. L.E de Leeuw en mr A.C. Beijering-Beck,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. D. Marcus
De zitting is gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Tegenwoordig zijn mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter en mr. C.H.D.M. van de Kar, griffier.
Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:
- namens Amarant, mevrouw [naam] , [functie] en de heer mr. S.J.T. van der Poll, bedrijfsjurist, bijgestaan door mr. de Leeuw,
- [gedaagde] , bijgestaan door mr. Marcus.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun stellingen nader toegelicht. Van wat tijdens de mondelinge behandeling namens partijen is verklaard zijn afzonderlijk zittingsaantekeningen gemaakt.
Vervolgens is met inachtneming van het bepaalde in artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in aanwezigheid van partijen mondeling de volgende uitspraak gedaan.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt:
Waar gaat de zaak over?
[gedaagde] heeft een autismespectrumstoornis. Hij heeft een zorgovereenkomst met Amarant en woont daarom ook in een appartement op een locatie van Amarant. Bij vonnis in kort geding van 28 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er sprake is van gewichtige redenen die de opzegging van de zorgovereenkomst -en daarmee het verblijf van [gedaagde] op in het appartement – per 9 juni 2025 rechtvaardigen. [gedaagde] heeft geweigerd het appartement te ontruimen. Amarant vordert de ontruiming daarvan binnen 48 uur na betekening van dit vonnis. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe maar gunt [gedaagde] een ruimere termijn voor ontruiming
De beoordeling door de voorzieningenrechter
Door de voorzieningenrechter van deze rechtbank is bij vonnis in kort geding van 28 mei 2025 onder randnummer 6.14. geoordeeld dat er gewichtige redenen zijn die de opzegging van de zorgovereenkomst – en daarmee ook de beëindiging van het verblijf van [gedaagde] in een appartement op een locatie van Amarant – rechtvaardigen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter onder ogen heeft gezien dat [gedaagde] de woning zal moeten ontruimen. Door [gedaagde] is niet gesteld dat voormeld of anderszins aannemelijk gemaakt dat het vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag, en ook niet dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die zich na het vonnis hebben voorgedaan en die aan zijn zijde een noodtoestand doen ontstaan. De feiten en omstandigheden waarop hij zich beroept zijn dezelfde als tijdens de kort gedingprocedure waarin het hiervoor genoemde vonnis is gewezen. Dit betekent dat de opzegging van de zorgovereenkomst en daarmee de bevoegdheid van Amarant om het door [gedaagde] bewoonde appartement te ontruimen in stand blijft.
Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan [gedaagde] gelet op zijn problematiek een langere termijn te gunnen dan gevorderd. De voorzieningenrechter zal de ontruimingstermijn daarom bepalen op uiterlijk 1 september 2025.
De voorzieningenrechter benadrukt dat hoewel formeel op het Zorgkantoor de verplichting rust om tot een oplossing te komen voor [gedaagde] , op Amarant de plicht rust om het Zorgkantoor te stimuleren
De beslissing
de voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk per 1 september 2025 de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Amarant zijn, en de woning bezemschoon onder afgifte van de sleutels daarvan ter vrije beschikking aan Amarant te stellen,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van het geding aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,
wijst af het meer of anders gevorderde
Waarvan proces-verbaal.