RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2021 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 19/5422 GEMWT
gemachtigde: mr. R.M.C.M. Bogers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 7 maart 2019 (primair besluit) heeft het college eiseres gelast asbest op een perceel nabij het adres [adres eiseres] te [plaatsnaam] te laten verwijderen, op straffe van toepassing van bestuursdwang.
In het besluit van 10 september 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben ingestemd met het afdoen van het beroep zonder zitting, waarna de rechtbank het onderzoek op 7 december 2020 heeft gesloten.
Overwegingen
1. Eiseres exploiteert aan de [adres eiseres] te [plaatsnaam] een loon- en handelsbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Eigenaar is [naam eigenaar loon- en handelsbedrijf] . [naam eigenaar loon- en handelsbedrijf] en zijn echtgenote [naam echtgenote eigenaar loon- en handelsbedrijf] wonen ook aan de [adres eiseres] . Nabij die locatie pacht eiseres een perceel dat eigendom is van Staatsbosbeheer (plaatselijk bekend als [plaatsnaam 2] , sectie [sectie naam perceel] , perceelnummer [perceelnummer 1] ).
Het college heeft op 27 februari 2019 een stookontheffing verleend aan [naam echtgenote eigenaar loon- en handelsbedrijf] , op grond waarvan in de periode tussen 1 januari 2019 en 1 mei 2019 ter plaatse van het gepachte perceel snoeihout en takkenhout mag worden verbrand.
Op 2 maart 2019 heeft een medewerker van Staatsbosbeheer geconstateerd dat ter plaatse brand werd gestookt met puin en afval. Nadat de brand is geblust zijn in de restanten van de brandhaard fragmenten van asbestverdacht materiaal aangetroffen. Staatsbosbeheer heeft naar aanleiding daarvan een asbestinventarisatie laten opmaken. Uit het daarvan opgemaakte rapport volgt dat tijdens de inventarisatie op het perceel asbesthoudende toepassingen zijn aangetroffen, te weten chrysotiel 2-5%.
Bij het primaire besluit heeft het college eiseres gelast uiterlijk 15 maart 2019 het vrijgekomen asbest op het perceel [perceelnummer 1] te laten verwijderen door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, op straffe van de toepassing van bestuursdwang. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat nu de afvalstoffen zijn vrijgekomen bij sloopwerkzaamheden binnen het bedrijf van eiseres, er sprake is van overtreding van artikel 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Daarin is bepaald dat het verboden is zich van afvalstoffen te ontdoen door deze -al dan niet in verpakking- buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. Daarnaast is sprake van een overtreding van artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet wegens handelen in strijd met artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het bezwaar is toegelicht tijdens de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften van 21 augustus 2019.
Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften ongegrond verklaard.
2. In artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak) is bepaald dat tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als zodanig is genoemd de Wet milieubeheer, met inbegrip van een besluit dat betrekking heeft op handhaving, doch met uitzondering van:
a. de artikelen 1.3, eerste lid, 8.40a en 8.42
b. een besluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde krachtens artikel 8.40
c. artikel 15.50
d. artikel 17.15, tweede lid, betreffende de toepassing van artikel 121 van de Provinciewet, voor zover het beroep wordt ingesteld door het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap.
3. De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, dat nu aan de last onder bestuursdwang de overtreding van artikel 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer ten grondslag is gelegd, niet de rechtbank, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd kennis te nemen van het beroep.
Dat aan de last onder bestuursdwang ook de overtreding van artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet wegens handelen in strijd met artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 ten grondslag is gelegd maakt dat niet anders, omdat de last (het verwijderen van asbest) naar het oordeel van de rechtbank niet splitsbaar is in een deel dat is gebaseerd op overtreding van artikel 10.1 van de Wet milieubeheer en een deel dat is gebaseerd op de overtreding van artikel 1b van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 7.22 van het Bouwbesluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:905). Ook de door het college gestelde overtredingen van de Wet milieubeheer en de Woningwet zien op dezelfde feitelijke gedraging.
4. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van dit beroep. Het door de rechtbank geïnde griffierecht zal worden teruggestort.
5. De rechtbank zal het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorzenden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 20 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.