RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2021 op het verzet van
[naam opposante] , te [plaatsnaam] , opposante.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/9972 PW V
Procesverloop
Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college) op haar aanvraag van 1 september 2020 om bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen (printer en laptop) op grond van de Participatiewet.
Bij uitspraak van 2 maart 2021 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Het verzet is besproken op de zitting van de rechtbank op 9 juli 2021. Hierbij waren aanwezig opposante en [naam vertegenwoordiger college 1] en [naam vertegenwoordiger college 2] namens het college.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat ten tijde van het beroep tegen het niet tijdig beslissen geen sprake was van een situatie waarin het college in gebreke was om tijdig een besluit te nemen, omdat er op dat moment al tijdig een besluit op de aanvraag was genomen.
2. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.
3. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat het besluit van 29 oktober 2020 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, omdat het besluit zonder haar toestemming via de elektronische weg aan haar bekend is gemaakt. Opposante meent dat daardoor de bezwaartermijn niet is aangevangen en dat het college een dwangsom verschuldigd is.
5. De verzetrechter is met opposante en de rechtbank van oordeel dat het besluit van 29 oktober 2020 niet op de juiste wijze aan opposante bekend is gemaakt, omdat opposante op 21 juli 2020 in een mail aan de behandelend ambtenaar [naam ambtenaar] heeft laten weten de beschikkingen per post te willen ontvangen. Anders dan opposante meent, heeft de rechtbank echter terecht overwogen dat deze onjuiste bekendmaking niet betekent dat er een dwangsom verschuldigd is. Immers, de rechtspraak over de bekendmaking van besluiten en de betreffende wetsartikelen zien op de procedurele belangen van een belanghebbende. Met artikel 4:17 van de Awb wordt daarentegen beoogd de burger een rechtsmiddel te geven om het bestuursorgaan aan te sporen tot tijdige besluitvorming. Er was echter al een besluit genomen door verweerder, zodat deze aansporing niet meer nodig was.
De niet correcte bekendmaking van een besluit kan in voorkomend geval – als daardoor te laat een rechtsmiddel is aangewend tegen dat besluit – nog wel van belang zijn voor de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Daarvan is hier naar het oordeel van de verzetrechter geen sprake. Opposante heeft reeds tijdig in haar beroepschrift van 3 december 2020 gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit aangegeven het niet eens te zijn met het besluit van 29 oktober 2020. De rechtbank heeft vervolgens in haar uitspraak van 2 maart 2021 het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede gericht geacht tegen het besluit van 29 oktober 2020 en het beroep voor zover het was gericht tegen het besluit van 29 oktober 2020 met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb verwezen naar het college ter behandeling als bezwaarschrift.
5. In wat opposante heeft aangevoerd ziet de verzetrechter dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 2 maart 2021. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
6. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De verzetrechter verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, verzetrechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 23 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.