ECLI:NL:RBZWB:2021:883

ECLI:NL:RBZWB:2021:883, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-02-2021, AWB- 19_5350

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-02-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB- 19_5350
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Breda
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2022:2060
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

VEROR

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

uitspraak van 24 februari 2021 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] te [plaatsnaam] , eiseres,

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5350 VEROR

gemachtigde: [naam gemachtigde eiseres] ,

en

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 10 september 2019 (bestreden besluit) van het college over het afwijzen van een verzoek om een subsidiebijdrage van € 95.000 voor het toepassen van slimme digitale oplossingen om vroegsignalering en preventiemogelijkheden te versterken.

Het beroep is behandeld op zitting in Breda op 13 januari 2021. Namens eiseres was haar gemachtigde daarbij aanwezig. Namens het college waren aanwezig [naam vertegenwoordiger college 1] en [naam vertegenwoordiger college 2] .

Overwegingen

2. Gronden
3. Wettelijk kader
4. De primaire besluiten en het bestreden besluit

1. Feiten

In de Voorjaarsnota 2018 zijn voor de gemeente Breda middelen beschikbaar gesteld voor het geven van een impuls aan preventie en vroegsignalering binnen het sociaal domein. Het college wil met deze impuls investeren in de preventieve aanpak en het vroegtijdig afvangen van ondersteunings- en zorgvragen door middel van breed gedragen activiteiten. Voor 2018 is door de gemeenteraad hiervoor € 900.000 beschikbaar gesteld.

Binnen de gemeente Breda wordt vooral invulling gegeven aan preventie en vroegsignalering binnen het sociaal domein op basis van ‘ [naam proces] ’. De gemeente omschrijft ‘ [naam proces] ’ als een geheel nieuwe manier van afspraken maken over inhoudelijke keuzes en gesubsidieerde activiteiten. In ‘ [naam proces] ’ gaan gemeente en maatschappelijke partners samen aan de slag met maatschappelijke thema’s. Daarbij wordt gewerkt met thematafels. Iedereen die een bijdrage kan leveren aan de behoeften van de stad en de inwoners mag aanschuiven aan één of meerdere van deze tafels. De thematafels stellen vervolgens met alle deelnemers een gezamenlijk uitvoeringsplan op. Voor dat gezamenlijk plan kan subsidie worden aangevraagd. Eén van de thematafels is ‘Zorg voor Elkaar’.

Het college heeft de Bouwgroep [naam proces] gevraagd met een advies te komen over hoe en onder welke voorwaarden de € 900.000 kon worden besteed. De Bouwgroep heeft dat advies opgesteld en voorzien van een inhoudelijk afwegingskader. Aan de deelnemers van de thematafels is gevraagd om binnen dat kader te komen met voorstellen. Door de Bouwgroep is ook een beoordelingscommissie samengesteld om deze voorstellen te kunnen beoordelen.

Het initiatief van eiseres (‘ [naam project] ’) richt zich op het toepassen van slimme digitale oplossingen om vroegsignalering en preventiemogelijkheden te versterken. Met het initiatief wordt ervoor gezorgd dat de inwoners van [plaatsnaam] beschikken over digitale toegang tot kennis, ondersteuners en netwerken. Op die manier worden zij geholpen om hun persoonlijke leefstijl te verbeteren en worden fysieke en mentale kwetsbaarheden voorkomen of verminderd.

Via de thematafel ‘Zorg voor Elkaar’ is dit initiatief aan de beoordelingscommissie voorgelegd. Op 17 september 2018 heeft de commissie geadviseerd om het initiatief af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren.

Eiseres heeft het college op 4 oktober 2018 verzocht om een subsidiebijdrage van € 95.000 voor initiatief.

Het college heeft op 23 november 2018 (primair besluit I) besloten om het subsidieverzoek van eiseres niet in behandeling te nemen, met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft het advies van de beoordelingscommissie daaraan ten grondslag gelegd.

Op 10 december 2018 heeft eiseres daar bezwaar tegen gemaakt.

Bij besluit van 10 april 2019 (primair besluit II) heeft het college primair besluit I ingetrokken. Het college heeft het subsidieverzoek alsnog inhoudelijk beoordeeld en heeft het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:1 van de Algemene subsidieverordening Breda 2017 (Subsidieverordening) en artikel 2:13, eerste lid van de Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017 (Nadere regels). Het college heeft daar een advies van een interne adviescommissie aan ten grondslag gelegd. Het college heeft het bezwaar van eiseres bij beslissing op bezwaar van 10 september 2019 mede aangemerkt als te zijn gericht tegen het primair besluit II (van 10 april 2019) en heeft het bezwaar ongegrond verklaard met aanvulling van de motivering.

Eiseres heeft daar op 18 oktober 2019 beroep tegen ingesteld.

Eiseres heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het college het subsidieverzoek niet had mogen afwijzen. Het initiatief van eiseres past binnen het gemeentelijk beleid. Volgens eiseres is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Daarnaast is het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel, is sprake van belangenverstrengeling en heeft het college misbruik gemaakt van recht.

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

In primair besluit II heeft het college het subsidieverzoek afgewezen op grond van artikel 4:1, vierde lid, onder g, h, i, k en l van de Subsidieverordening en artikel 2:13, eerste lid, onder a, i, n, en p van de Nadere regels. Het college baseert die afwijzing op een advies van een interne commissie gevormd door twee beleidsadviseurs die werkzaam zijn in het sociaal domein en om die reden deskundig geacht worden op dat gebied. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het advies van de commissie niet afzonderlijk op schrift is gesteld, maar dat dit advies in het besluit is verwerkt.

De Adviescommissie bezwaarschriften heeft op 20 augustus 2019 geadviseerd over het bezwaar tegen dat besluit. De commissie heeft geadviseerd het bezwaar tegen primair besluit I niet-ontvankelijk te verklaren en primair besluit II in stand te laten onder aanvulling van de motivering. Ook heeft de commissie het college geadviseerd om de weigering te baseren op artikel 4:1, vierde lid, sub l, van de Subsidieverordening. De criteria die zijn genoemd in artikel 2:13 van de Nadere regels kunnen geen grondslag bieden voor de weigering. Het college kan die criteria alleen als nadere motivering gebruiken. Daarnaast heeft de commissie niet uitgesloten dat de weigeringsgronden uit artikel 4:1, sub g en h, van de Subsidieverordening aan de orde zijn, omdat de financiële aspecten van het initiatief onvoldoende zijn onderbouwd in de aanvraag. In het besluit is onvoldoende gemotiveerd waarom deze weigeringsgronden aan de orde zijn. De commissie heeft college geadviseerd om het bestreden besluit op die onderdelen nader te onderbouwen.

In de beslissing op bezwaar heeft het college het bezwaar van eiseres - onder verwijzing naar en met overneming van de motivering van het advies van de commissie - ongegrond verklaard en heeft het college de motivering van de afwijzing van het subsidieverzoek als volgt aangevuld:

[naam onderneming] . is een onderneming die commerciële activiteiten verricht. De onderneming is ondersteunend aan het proces van o.a. zorg en welzijnsorganisaties door het leveren van een digitale infrastructuur. Er zijn meerdere bedrijven die dit soort dienstverlening aanbieden. Daarmee is het een commerciële activiteit die marktconform kan worden verricht en komt het niet in aanmerking voor subsidie (artikel 4:1, vierde lid, onder g, van de Nadere regels);

Doordat het financiële aspect onvoldoende duidelijk is, is het voor het college de vraag of [naam onderneming] . beschikt over voldoende middelen met inbegrip van de subsidie om de voornemen activiteiten uit te voeren (artikel 4:1, vierde lid, onder h, van de Nadere regels);

Subsidieverstrekking aan [naam onderneming] past niet binnen het beleid van de gemeente en het college ziet onvoldoende reden om subsidie te verlenen. (Artikel 4:1, vierde lid, onder l, van de Nadere regels). De toegevoegde en innovatieve waarde van het initiatief van [naam onderneming] is onvoldoende concreet onderbouwd. Ook de motivering en verankering van de resultaten wordt onvoldoende belicht in de aanvraag

5. Toetsingskader

In de Subsidieverordening staat dat het college bevoegd is te besluiten over het verstrekken van subsidies. Subsidies kunnen slechts worden verstrekt voor de activiteiten die vallen onder de beleidsterreinen zoals genoemd in de door de gemeenteraad vastgestelde begroting. In de begroting is € 900.000 beschikbaar gesteld voor het geven van een impuls aan preventie en vroegsignalering binnen het sociaal domein. In artikel 4:1 van de Subsidieverordening staan de weigeringsgronden opgenomen voor subsidieverzoeken.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het college bij het subsidiëren van activiteiten op het gebied van gegevensuitwisseling in de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg een ruime mate van beleidsruimte heeft. De rechter moet de beslissing terughoudend toetsen en zal zich beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

6. Bezwaar tegen primair besluit I (van 23 november 2018)

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen primair besluit I. De adviescommissie bezwaarschriften heeft het college geadviseerd om het bezwaar tegen primair besluit I niet-ontvankelijk te verklaren. Onder verwijzing naar en met overneming van dit advies heeft het college het bezwaar echter in zijn geheel ongegrond verklaard. Ter zitting heeft het college erkend dat dit fout in het bestreden besluit staat opgenomen en dat het de bedoeling van het college is geweest om het bezwaar tegen primair besluit I niet-ontvankelijk te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat het bestreden besluit onvolledig en onjuist is.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om op dit punt zelf in de zaak te voorzien, door het bezwaar tegen primair besluit I in overeenstemming met de bedoeling van het college niet-ontvankelijk te verklaren. Niet-ontvankelijkheid is de enig mogelijke uitkomst nu het college dit besluit heeft ingetrokken en in primair besluit II de aanvraag alsnog in behandeling heeft genomen en beoordeeld.

7. Weigeringsgronden

In het bestreden besluit staat dat het subsidieverzoek is geweigerd op grond van artikel 4:1, vierde lid, onder g, h en l, van de Nadere regels. Die afwijzing heeft het college in het bestreden besluit gemotiveerd op de onder 4.3 genoemde wijze. De rechtbank stelt voorop dat het college in het bestreden besluit ten onrechte verwijst naar de Nadere regels, omdat de weigeringsgronden waar het college naar bedoelt te verwijzen staan opgenomen in de subsidieverordening. Dat is ter zitting ook erkend door het college. Daarnaast wordt ter motivering van de weigeringsgronden gedeeltelijk verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, terwijl die commissie adviseert om het subsidieverzoek primair af te wijzen op grond van artikel 4:1, eerste lid, onder l, van de Subsidieverordening en dat ‘onder g en h’ een aanvullende rol zouden kunnen spelen. In afwijking van dat advies richt het college zich in het bestreden besluit volledig op alle drie de weigeringsgronden. Ook vindt de rechtbank dat het college met de door hem gegeven aanvullende motivering onvoldoende heeft onderbouwd waarom deze weigeringsgronden zich zouden voordoen. Door het college wordt bijvoorbeeld alleen gesteld, maar niet onderbouwd, dat het initiatief niet past binnen het gemeentelijke beleid. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat het bestreden besluit onvolledig is, onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid.

De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op dit punt in stand te laten.

Ter zitting is duidelijk geworden dat het college heeft bedoeld om het subsidieverzoek primair te weigeren op grond van artikel 4:1, vierde lid, onder l, van de Subsidieverordening en dat ‘onder g en onder h’ slechts een aanvullende rol spelen. Ook heeft het college bedoeld om de overige weigeringsgronden uit het primaire besluit te laten vervallen. In artikel 4:1, vierde lid, onder l, van de subsidieverordening staat dat een subsidieverzoek kan worden geweigerd, wanneer de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente of als het college onvoldoende reden ziet om subsidie te verlenen. Ter zitting heeft het college voldoende duidelijk toegelicht dat het initiatief niet past binnen het beleid en dat hij onvoldoende reden ziet om subsidie te verlenen, omdat niet is gebleken dat er vraag is naar het initiatief. Het college betwijfelt daarom of het initiatief kan worden uitgevoerd. Het beleid gaat uit van een netwerkgedachte. Door externe partijen (bijvoorbeeld zorg- en welzijnsinstanties) is volgens het college niet aangegeven dat zij gebruik zullen maken van het initiatief. Daarnaast is ook niet op andere wijze vast komen staan dat draagvlak bestaat voor het initiatief. Zonder een duidelijke vraag naar het initiatief is het verlenen van subsidie volgens het college niet zinvol, omdat hij dan een initiatief zou subsidiëren dat mogelijk door niemand wordt gebruikt. Daar heeft het college aan toegevoegd dat eiseres op de hoogte was van deze voorwaarde omdat hij eiseres daar meerdere malen op heeft gewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het subsidieverzoek gelet op die motivering in redelijkheid kunnen weigeren op grond van artikel 4:1, vierde lid, onder l, van de Subsidieverordening. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de aanvraag inderdaad niet blijkt welke zorg- en welzijnsinstanties hebben toegezegd gebruik te zullen maken van het initiatief en dat eiseres ter zitting heeft toegelicht dat ook op dit moment niemand gebruik maakt van het systeem. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom in stand laten.

8. Overige beroepsgronden

Daarnaast leest de rechtbank in de beroepsgronden dat eiseres een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel en dat eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van belangenverstrengeling en misbruik van recht.

Gelijkheidsbeginsel

Volgens eiseres is sprake van discriminatore factoren en een ongelijke behandeling. Er is sprake van ongelijkheid tussen grote en kleine deelnemende organisaties. Partijen die geen financiering krijgen of een kleine bijdrage krijgen, moeten naar verhouding een grotere inbreng leveren dan de grotere organisaties om aan de thematafels mee te doen.

Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Een besluit is in strijd met dit beginsel vastgesteld, wanneer sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld en wanneer voor die ongelijke behandeling geen voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd en daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld.

Belangenverstrengeling

Volgens eiseres is sprake van belangenverstrengeling. Eiseres noemt in dat verband een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De persoonlijke belangen van de gemeente en andere partijen zijn niet inzichtelijk. Dat legt een basis van belangenverstrengeling. Ook zijn de toetsingscriteria daardoor onvoldoende onafhankelijk. Eiseres heeft op verzoek van de gemeente informatie gedeeld, waar anderen nu van kunnen profiteren. Ook op die manier is de schijn van belangenverstrengeling ontstaan. De heer [naam voorzitter] opereert daarnaast bestuurlijk onrechtmatig en misbruikt zijn positie door als één van de voorzitters van de thematafels (Zorg voor Elkaar) ook als lid van de beoordelingscommissie Vroegsignalering en preventie van de Bouwgroep op te treden.

Artikel 2:4 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. Ook de schijn van belangenverstrengeling dient te worden vermeden. Op grond van het tweede lid waakt het bestuursorgaan ertegen dat voor het bestuursorgaan werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Met het begrip ‘persoonlijk’ wordt volgens de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van het artikel gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. Deze bepaling is ook van toepassing op het functioneren van adviesorganen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van de door haar gestelde belangenverstrengeling. Eiseres heeft ook dat standpunt niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Dat de belangen van de gemeente en andere partijen wellicht niet transparant zijn of dat anderen nu profiteren van informatie die is gedeeld door eiseres, maakt niet dat sprake is van belangenverstrengeling. Dat eiseres stelt dat de heer [naam voorzitter] opereert als voorzitter van een thematafel en als lid van de beoordelingscommissie is niet relevant, omdat zowel de thematafel als de beoordelingscommissie geen invloed hebben gehad op het besluit tot de afwijzing van het subsidieverzoek. Die afwijzing is namelijk gebaseerd op een advies van een interne commissie bestaande uit twee deskundige beleidsambtenaren. In de uitspraak waar eiseres naar verwijst heeft de rechtbank Oost-Brabant inderdaad vastgesteld dat in het kader van ‘ [naam proces] ’ sprake is geweest van belangenverstrengeling, maar dit zag op een geheel andere situatie. Daar ging het om een situatie waarbij de deelnemers aan de Thematafel zowel over hun eigen subsidieaanvragen hebben geadviseerd als over de subsidieaanvragen van andere organisaties. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke situatie in het geval van eiseres niet aan de orde is geweest, omdat geen enkel advies van ‘ [naam proces] ’ aan de afwijzing van het subsidieverzoek ten grondslag ligt.

Misbruik van recht

Ook het beroep van eiseres op misbruik van recht kan volgens de rechtbank niet slagen. Eiseres stelt dat daar sprake van is omdat eiseres heeft kunnen deelnemen aan de thematafel, terwijl nu blijkt dat de intentie niet heeft bestaan om tot subsidiering over te gaan. Daarnaast heeft eiseres op verzoek van de gemeente informatie gedeeld, waar de gemeente en anderen nu van profiteren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres echter niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat het college misbruik heeft gemaakt van recht.

9. Conclusie

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen, zelf in de zaak voorzien en overigens de rechtsgevolgen in stand laten op de onder 6.2 en 7.2 genoemde wijze.

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient het door eiseres betaalde griffierecht te worden vergoed. Eiseres heeft niet verzocht om vergoeding van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan op 24 februari 2021 door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. L.P. Hertsig, en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 4:21, eerste lid, van de Awb Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

Artikel 4:23, eerste lid, van de Awb

Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

Subsidieverordening Breda 2017 (Subsidieverordening) Artikel 1:3 van de Subsidieverordening

Artikel 3:1 van de Subsidieverordening

Artikel 3:2 van de Subsidieverordening

4. Een rechtspersoon die voor de eerste maal een jaarlijkse subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.

5. Een onderneming die subsidie aanvraagt, voegt de volgende bijlagen toe aan de aanvraag:

6. Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede, derde, vierde en vijfde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende, zijn.

Artikel 4:1 van de Subsidieverordening

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert het college de subsidie in ieder geval:

2. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

3. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden weigert het college de subsidie in ieder geval:

4. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan het college de subsidie verder weigeren:

5. Onder discriminatie bedoeld in het derde lid, wordt voor de toepassing van deze bepaling niet begrepen het onderscheid ter opheffing van maatschappelijke achterstand of om participatie van doelgroepen te bevorderen.

Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Breda 2017 (Nadere regels)

Artikel 2:11 van de Nadere regels

Artikel 2:12 van de Nadere regels

Artikel 2:13 van de Nadere regels

1. Het college kan subsidie verstrekken voor het uitvoeren van een initiatief voor zover dat:

2. Een subsidie kan voor maximaal twee jaar (2017 en 2018) worden verstrekt.

Artikel 2:14 van de Nadere regels

5. Het college beslist uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?