ECLI:NL:RBZWB:2022:290

ECLI:NL:RBZWB:2022:290, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-01-2022, AWB- 21_5052

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-01-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB- 21_5052
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005252

Samenvatting

21/5052

Uitspraak

[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.J.C. Post),

en

ZorgOnderzoek Nederland/Medische wetenschappen (ZonMw), verweerder

(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 18 november 2021 heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 12 mei 2021 in de zaak met zaaknummer BRE 21/734 betreffende het uitblijven van een beslissing op haar Wob-verzoek (ECLI:NL:RBZWB:2021:2437). In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op de aanvraag van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan.

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is, in een geval als het onderhavige, waarin de bestuursrechter een termijn heeft gesteld voor het nemen van een (nieuw) besluit, niet vereist dat nog een ingebrekestelling wordt gestuurd voordat beroep wordt ingesteld.

Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op het Wob-verzoek van eiseres.

Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Ingevolge artikel 15b van de Wob bepaalt de bestuursrechter in geval van een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van deze wet of een beslissing op bezwaar tegen een dergelijk besluit waarbij nog geen besluit is bekendgemaakt, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt.

Verweerder heeft gesteld dat het Wob-verzoek een zodanige omvang heeft dat de beoordeling in vijf deelbesluiten zal plaatsvinden. De eerste vier deelbesluiten zijn reeds genomen, het vierde deelbesluit op 28 december 2021. Er resteert nu nog een laatste, vijfde deelbesluit dat volgens verweerder uiterlijk in maart 2022 zal worden genomen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen. Desondanks zal de rechtbank verweerder geen langere termijn geven om het vijfde en tevens laatste deelbesluit te nemen dan de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van twee weken. De rechtbank ziet geen reden voor het geven van een langere termijn, omdat sinds het Wob-verzoek van november 2020 inmiddels ruim een jaar is verstreken. Daarbij neemt de rechtbank tevens in overweging dat in de eerdere procedure met zaaknummer BRE 21/734 verweerder in zijn verweerschrift van 8 april 2021 heeft aangegeven binnen afzienbare termijn op het Wob-verzoek te kunnen beslissen en het op dat moment eveneens al duidelijk voor verweerder was dat het hier om een omvangrijk Wob-verzoek ging.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-.

Het beroep is kennelijk gegrond.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd.

De bijstand door een gemachtigde levert 1,0 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 379,50.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog het laatste deelbesluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 379,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 24 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.A.M.L. van de Sande

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?