RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1026 PW
gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 1 december 2020 (primair besluit) heeft het college aan eiseres een uitkering op grond van de Participatiewet toegekend per 3 november 2020.
In het besluit van 18 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, aangegeven prijs te stellen op een behandeling ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek daarom gesloten met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Feiten
Eiseres heeft op 3 november 2020 een bijstandsuitkering aangevraagd bij het college.
Bij het primaire besluit heeft het college eiseres een bijstandsuitkering toegekend per 3 november 2020.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2. Beroepsgronden
Eiseres voert aan dat haar bezwaargronden in het bestreden besluit onvoldoende zijn weerlegd. Verder is zij van mening dat het college ten onrechte stelt dat eiseres in staat is geweest om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aan te vragen en bezwaar te maken tegen de afwijzing daarvan. Eiseres heeft dit niet zelf gedaan maar dit is gebeurd met hulp van derden, die haar maatschappelijk en sociaal ondersteunen.
3. Beoordeling
Allereerst stelt de rechtbank vast dat het college in het bestreden besluit voldoende aandacht heeft geschonken aan wat eiseres in haar bezwaarschrift heeft aangevoerd. Er is dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek.
Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet wordt de bijstandsuitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover die dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand te vragen. Op grond van vaste rechtspraak betekent dit dat in beginsel geen recht op bijstand bestaat over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Een dergelijke bijzondere omstandigheid is bijvoorbeeld dat de betrokkene zich na afwijzing van een aanvraag om een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet (zoals een ZW-uitkering) zo spoedig mogelijk meldt om bijstand aan te vragen.
De rechtbank is met het college van oordeel dat eiseres heeft nagelaten om zich zo spoedig mogelijk bij het college te melden om bijstand aan te vragen. Eiseres is bij besluit van 5 oktober 2020 geïnformeerd over de afwijzing van haar aanvraag voor een ZW-uitkering, maar heeft zich pas op 3 november 2020 -aldus bijna een maand later- bij het college gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen. Van een bijzondere omstandigheid om met terugwerkende kracht bijstand te verlenen, is volgens de rechtbank dan ook geen sprake. Dat eiseres niet zelf de ZW-uitkering heeft aangevraagd, maar hierbij hulp van derden heeft gekregen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het had juist voor de hand gelegen dat eiseres deze derden zou hebben gevraagd haar ook bij de aanvraag voor een bijstandsuitkering te ondersteunen.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het college terecht per 3 november 2020 een bijstandsuitkering aan eiseres heeft toegekend.
4. Conclusie
Het beroep is ongegrond.
Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 24 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.