uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van de minister om haar handhavingsverzoek in behandeling te nemen. De minister vindt dat eiseres geen belanghebbende is. Het handhavingsverzoek is daarom geen aanvraag in de zin van artikel 1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met het bestreden besluit van 20 april 2021 is de minister bij die weigering gebleven en heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 26 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] namens eiseres en [naam vertegenwoordiger 3] namens de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of de minister terecht het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Relevante feiten en omstandigheden
Op 26 februari 2020 heeft eiseres een handhavingsverzoek ingediend bij de Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Eiseres verzoekt de Inspectie SZW de arbeidsomstandigheden voor winkelpersoneel in hengelsportwinkels voor wat betreft vislood in overeenstemming te brengen met de relevante wet- en regelgeving.
Bij brief van 6 mei 2020 heeft eiseres de Inspectie SZW in gebreke gesteld omdat niet tijdig een besluit zou zijn genomen op haar verzoek. Vervolgens heeft eiseres op 8 juni 2020 de Inspectie SZW herinnerd aan de ingebrekestelling en zich op het standpunt gesteld dat een dwangsom is verschuldigd.
De Inspectie SZW heeft op 16 oktober 2020 aan eiseres het verzoek gedaan om haar statuten over te leggen en een beschrijving te geven van haar feitelijke werkzaamheden. In reactie hierop heeft eiseres een aantal stukken overgelegd. De Inspectie SZW heeft vervolgens op 27 oktober 2020 aan eiseres medegedeeld dat zij geen belanghebbende is en dat haar verzoek om handhaving daarom niet kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 23 februari 2021 heeft de rechtbank aangegeven dat deze brief van eiseres als een bezwaarschrift moet worden aangemerkt en de minister verzocht de behandeling daarvan over te nemen.
Vervolgens heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Bij bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Waar gaat deze zaak over?
2. In geschil is of het college het bezwaarschrift van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daaraan gaan de vragen vooraf of er sprake is van een aanvraag en een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
Is eiseres belanghebbende?
3. Onder belanghebbende wordt op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
4. Eiseres is een in 2018 opgerichte stichting. Artikel 1:2, derde lid, van de Awb bepaalt dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belang mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
5. Eiseres heeft als statutaire doelstellingen: “het voorkomen en verminderen van verontreiniging van watersystemen om milieuschade en risico’s voor de menselijke gezondheid te voorkomen en te beperken. Ook het stimuleren, (doen) ontwikkelen, ondersteunen en financieren van projecten gericht op het Nederlandse zoete en zoute water alsmede het aantrekken en uitgeven van fondsen ten behoeve daarvan en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, is het doel van de stichting. Eiseres tracht dit doel blijkens de statuten onder meer te bereiken door
het (doen) realiseren van projecten, het (doen) geven van voorlichting, het stimuleren van de ontwikkeling van alternatie technieken en de inzet ervan, het doen van onderzoek, het oprichten van een politieke (wetenschaps)partij en het (doen) bevorderen van bewustwording en gedragsbeïnvloeding bij consumenten, belangenorganisaties, bedrijven en waterbeheerders omtrent deze doelstelling.”.
5. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij belanghebbende is bij het verzoek om handhaving omdat het verzoek over vislood gaat en zij zich met vislood bezig houdt. Hengelsportwinkels zijn een belangrijke leverancier van vislood dat door hengelsporters wordt gebruikt. Het onverpakte lood dat in hengelsportwinkels verkocht wordt, schaadt de volksgezondheid.
6. De rechtbank stelt voorop dat uit de statuten van eiseres blijkt dat zij zich richt op het voorkomen en verminderen van verontreiniging van watersystemen. De rechtbank acht deze doelstelling voldoende concreet geformuleerd. Verder is genoegzaam aannemelijk dat eiseres zich door haar feitelijke werkzaamheden ook daadwerkelijk hiervoor inzet. De vraag is of het al dan niet handhavend optreden tegen de verkoop van onverpakt vislood voldoende rechtstreeks betrokken is bij de belangen die eiseres krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt.
7. De rechtbank is van oordeel dat de verkoop van onverpakt vislood in onvoldoende rechtstreeks verband staat tot de statutaire doelstelling. Het handhavingsverzoek van eiseres heeft betrekking op de belangen van werknemers van dan wel arbeidsomstandigheden in hengelsportwinkels. Dat is iets anders dan het voorkomen en verminderen van verontreiniging van zoet en zout water(systemen).
Eiseres is met haar verzoek getreden buiten de reikwijdte van haar statutaire doelstellingen en is daarom geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het verzoek.
8. Het verzoek is daarmee geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat het antwoord van het college op haar verzoek, de brief van 27 oktober 2020, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Alleen tegen besluiten kan bezwaar bij het bestuursorgaan en daarna beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld.
Dit leidt tot de conclusie dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
9. Artikel 4:17, zesde lid, van de Awb bepaalt tenslotte dat een bestuursorgaan geen dwangsom verschuldigd is vanwege het niet tijdig geven van een beslissing op aanvraag, indien de aanvrager geen belanghebbende is.
Het verzoek om dwangsom is dus terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.C. van Spreuwel, griffier, op 1 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.