Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2023 in de zaken tussen
[naam eiser] , eiser
[naam eiseres] , eiseres,
tezamen: eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau, verweerder.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingesteld omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op de aanvragen als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo).
De rechtbank heeft de beroepen op 2 maart 2023 versneld op zitting behandeld met toepassing van artikel 8:55b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers waren daarbij aanwezig. Het college werd vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] en mr. H.H.M. Kirazli.
Overwegingen
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Eiser heeft 843 Woo-verzoeken ingediend op 26 en 28 september 2022, 4, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30 en 31 oktober 2022, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16 en 17 november 2022.
Eiseres heeft 11 Woo-verzoeken ingediend op 14 december 2022.
Het college had binnen vier weken moeten beslissen op deze verzoeken. Dat staat in artikel 4.4 van de Woo. Het college heeft de termijnen met toepassing van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo verdaagd met twee weken, met uitzondering van de beslistermijnen van de Woo-verzoeken van 14, 15, 16 en 17 november 2022 en 14 december 2022.
Vaststaat dat alle termijnen, waarbinnen het college had moeten beslissen, voorbij zijn.
Eisers hebben het college na het verstrijken van iedere termijn in gebreke gesteld en sindsdien zijn ook steeds twee weken voorbij gegaan.
Vervolgens heeft eiser op 7 en 20 december 2022 en 13, 24 en 30 januari 2023 en eiseres op 3 februari 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op de Woo-verzoeken.
Het college heeft tot op heden nog geen beslissing genomen op de Woo-verzoeken. De beroepen zijn dus gegrond.
Omdat het college nog geen besluiten heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Het college heeft met een beroep op artikel 8.4, eerste lid, van de Woo gevraagd om een langere termijn.
De rechtbank stelt voorop dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het is toegestaan om in deelbesluiten op een Woo-verzoek te beslissen en dat een gefaseerde aanpak niet in strijd is met de Woo.
Een termijn moet recht doen aan de reële mogelijkheden om op de verzoeken te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.
De rechtbank heeft de volgende omstandigheden in haar oordeel betrokken:
Dit alles overwegende heeft de rechtbank besloten dat het college na de dag van verzending van deze uitspraak:
De rechtbank zal bepalen dat het college een dwangsom van € 10.000 ineens moet betalen, per keer dat het college de hiervoor genoemde beslistermijnen 1 tot en met 4 overschrijdt.
De rechtbank zal verder bepalen dat het college na afloop van de 20 weken termijn (5) een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn dan nog wordt overschreden door het college, totdat op elk van de 911 verzoeken is beslist. Daarbij geldt een maximum van € 15.000.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers de door hen betaalde griffierechten vergoeden.
De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Eiser heeft gevraagd om proceskosten tot een bedrag van € 417,45 aan verletkosten.
De rechtbank zal het opgegeven uurloon van € 139,15 beperken tot het maximum uurloon van € 98 van artikel 2 van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht. De reistijd voor eiser van huis naar de rechtbank is volgens Google Maps 30 minuten. Rekening houdend met een zittingstijd (inclusief wachttijd) van ruim een uur, komt eiser uit op maximaal 3 verleturen. De rechtbank zal daarom 3 verleturen voor vergoeding in aanmerking brengen.
Beslissing
De rechtbank:
€ 15.000;
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr.drs. R.J. Wesel, griffier, op 7 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet openheid overheid
Artikel 4.1.
(…)
Artikel 4.2a.
Indien een voldoende gespecificeerd verzoek zodanig omvangrijk is dat niet binnen de termijn van artikel 4.4, eerste lid, kan worden beslist, treedt het bestuursorgaan voor het einde van die termijn in overleg met de verzoeker over de prioritering van de afhandeling van het verzoek. Het bestuursorgaan verstrekt de gevraagde documenten zo veel mogelijk in de door de verzoeker gewenste volgorde.
Artikel 4.4.
(…)
Artikel 8.4.
1. In geval van een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van deze wet of een beslissing op bezwaar tegen een dergelijk besluit, waarbij nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb, de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:12
Artikel 8:55d
1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de
uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
2. De bestuursrechter verbindt aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
(…)
3. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
Artikel 8:55b
Artikel 8:52
Besluit proceskosten bestuursrecht
Artikel 1
Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:
(…)
e. verletkosten van een partij of een belanghebbende,
(…)
Artikel 2
1. Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:
(…)
e. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel e: overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 8 en € 98 per uur bedraagt;
(…)