[belanghebbende]., uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 februari 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag is € 29 aan belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en [inspecteur], [inspecteur] en [inspecteur] namens de inspecteur.
Feiten
2. Belanghebbende heeft op 27 juni 2019 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een [automerk] (camper) met VIN nummer [nummer] naar een te betalen bedrag aan Bpm van € 1.947.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [B.V.] van 20 juni 2019. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 23.250. De handelsinkoopwaarde is vastgesteld aan de hand van een marktonderzoek naar vraagprijzen van referentievoertuigen. In het rapport staat vermeld dat in verband met de te hanteren handelsinkoopwaarde ongeveer 25% van de vraagprijs is afgetrokken. Voorts heeft de taxateur de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 10.000.
De inspecteur heeft geen hertaxatie laten verrichten maar de schade aan de auto zelf beoordeeld. De inspecteur heeft een bedrag van € 3.691 wegens schade op de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst [X] in mindering gebracht en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 27.422. Omdat toepassing van de forfaitaire tabel het meest gunstig was, is het bedrag aan verschuldigde Bpm op basis daarvan bepaald op € 6.306.
Met dagtekening 26 februari 2021 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 4.359 waarbij een bedrag van € 29 aan belastingrente in rekening is gebracht.
Het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Tussen partijen is meer specifiek in geschil of de voldoende rekening is gehouden met een waardevermindering wegens schade en of de herleidingsmethode kan worden toegepast.
Waardevermindering wegens schade
4. Belanghebbende stelt dat de inspecteur door het ontbreken van een hertaxatie door DRZ en door het zelf beoordelen van de schade zijn stellingen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur die stellingen ook voldoende gemotiveerd kan betwisten zonder dat hij zelf een taxatierapport laat opstellen. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende in dit geval betwist door de resultaten van een ‘kritische beschouwing’ van het overgelegde taxatierapport weer te geven in onder meer de kennisgeving van de naheffingsaanslag, in de uitspraak op bezwaar en in het verweerschrift. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een voldoende gemotiveerde betwisting op.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door belanghebbende gestelde schade. Nu sprake is van een gemotiveerde betwisting door de inspecteur, rust op belanghebbende de last om aannemelijk te maken dat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid. Belanghebbende verdedigt een waardedaling van € 13.250. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag een waardedaling van € 3.691 aannemelijk geacht.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hogere waardevermindering dan waarmee door de inspecteur reeds rekening is gehouden. De rechtbank merkt daarbij op dat zij voor het vaststellen van de schade in hoge mate afhankelijk is van wat partijen daarover aandragen. Belanghebbende heeft foto’s overgelegd. Eventuele onduidelijkheden op de foto’s van belanghebbende of wat daarop in de visie van de taxateur zichtbaar zou moeten zijn, dienen voor zijn rekening te komen. Uit de foto’s kan de rechtbank niet afleiden dat sprake is van meer schade dan reeds in aanmerking is genomen.
De enkele stelling van belanghebbende dat het ontbreken van lichtmetalen velgen een waardeverminderende factor vormt, is onvoldoende voor een ander oordeel. Daar komt nog bij dat in de schadecalculatie van belanghebbende velgen expliciet worden benoemd als beschadigde onderdelen, hetgeen haaks staat op de stelling ter zitting dat de auto geen velgen had maar wieldoppen.
Verder heeft de inspecteur bij de herbeoordeling de schade aan de bumper geaccepteerd. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat in dat geval ook de demontage en het overspuiten van de bumper en aangrenzende plaatdelen moet worden meegenomen in de reparatiekosten. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de schade aan de bumper ten onrechte als schade is aangemerkt en bij nader inzien als gebruikerssporen had moeten worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van de foto’s belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bumper meer dan normale gebruikssporen heeft. De stellingen van belanghebbende met betrekking tot de bumper hoeven dan ook geen behandeling meer.
Herleidingsmethode
5. De beroepsgronden van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1427.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6. Belanghebbende heeft terecht aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank berekent deze als volgt.
De in aanmerking te nemen termijn is aangevangen op 19 maart 2021, zijnde de datum dat het bezwaarschrift is ontvangen. Nu de rechtbank uitspraak doet op 17 april 2023, zijn sindsdien 25 maanden verstreken. Aangezien de redelijke termijn als uitgangspunt twee jaar bedraagt, is de redelijke termijn met één maand overschreden. Er bestaat recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat de vergoeding € 500 bedraagt.
Voor de verdeling van de schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister voor Rechtsbescherming (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 15 februari 2022. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond elf maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met vijf maanden is overschreden. Dit betekent dat de termijnoverschrijding voor het geheel wordt toegerekend aan de bezwaarfase. De inspecteur dient daarom het volledige bedrag van € 500 te betalen.
Vergoeding griffierecht
7. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.
Proceskosten
8. De rechtbank vindt in de omstandigheid dat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt gehonoreerd, aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij deze rechtbank met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). Een wegingsfactor 0,5 acht de rechtbank hier aangewezen, nu uitsluitend recht op proceskostenvergoeding bestaat in verband met het toekennen van een immateriëleschadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 837 aan proceskosten aan belanghebbende;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem vergoedt van € 184.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.M. de Fouw, griffier op 17 april 2023. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.