ECLI:NL:RBZWB:2023:5341

ECLI:NL:RBZWB:2023:5341, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28-07-2023, BRE - 22 _ 1421

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 28-07-2023
Datum publicatie 04-08-2023
Zaaknummer BRE - 22 _ 1421
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2025:1727
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320 BWBR0005537 BWBR0011353

Samenvatting

IB/PVV, geen belastingplicht in Nederland, geen recht op inkomstenbelastingdeel heffingskortingen, beroep op art. 26, lid 2, Belastingverdrag Nederland-België en art. 45 VWEU slaagt niet.

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende

(gemachtigde: [naam] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 maart 2022.

De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2016 toegewezen.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Belanghebbende en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur in strijd met artikel 26, tweede lid, van het Belastingverdrag Nederland-België dan wel artikel 45 van het VWEU heeft gehandeld door bij de ambtshalve vermindering geen rekening te houden met het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting (hierna: de heffingskortingen). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van artikel 26, tweede lid, van Belastingverdrag Nederland-België of artikel 45 van het VWEU en heeft de inspecteur terecht geen rekening gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende was in 2016 woonachtig in België. Hij was in loondienst werkzaam op een schip dat vaart onder Nederlandse vlag voor een in Nederland gevestigde werkgever, [B.V.] .

Belanghebbende was in 2016 in Nederland verzekerd voor de premie volksverzekeringen, maar niet belastingplichtig voor de inkomstenbelasting.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan over het jaar 2016. Daarin is aangegeven dat hij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is en de volgende inkomsten heeft genoten:

Inkomsten uit loondienst € 38.321

Inkomsten uit eigen woning € 5.398 -/-

Inkomsten uit werk en woning € 32.923

De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2016 overeenkomstig de aangifte opgelegd en rekening gehouden met de volgende heffingskortingen.

Heffingskorting

Inkomstenbelastingdeel

Premiedeel

Totaal

Algemene heffingskorting

€ 371

€ 1.245

€ 1.616

Arbeidskorting

€ 673

€ 2.258

€ 2.931

Belanghebbende heeft verzocht om de aanslag ambtshalve te verminderen omdat het heffingsrecht over het loon voor de belastingheffing volledig toegewezen is aan België. De inspecteur is tegemoet gekomen aan het verzoek van belanghebbende.

Belanghebbende heeft een verminderingsbeschikking ontvangen waarin het premie-inkomen is vastgesteld op € 32.923 en de verschuldigde premies zijn berekend op € 9.267. Tevens is rekening gehouden met het premiedeel van de heffingskortingen. Er is geen inkomstenbelasting geheven over het loon en het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen is niet toegekend.

Motivering

Standpunten van partijen

4. Belanghebbende stelt in de kern dat de inspecteur bij de ambtshalve vermindering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen. Ter motivering van dit standpunt verwijst belanghebbende naar het Besluit van 11 november 2011 (het Besluit) en stelt dat een inwoner van Nederland of een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige die net als hij in Nederland geen inkomstenbelasting verschuldigd is maar wel premies volksverzekeringen, de mogelijkheid heeft om het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen in mindering te brengen op de verschuldigde premie volksverzekeringen. Belanghebbende is daarom van mening dat hij op grond van artikel 26, tweede lid, van het Belastingverdrag Nederland – België recht heeft op de heffingskortingen zoals deze berekend zouden worden alsof hij in Nederland zou wonen. Verder is sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld zodat sprake is van schending van het Unierecht.

De inspecteur is van mening dat belanghebbende geen recht heeft op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen, omdat geen sprake is van belastingplicht in Nederland. Daarom kan aan verrekening van de heffingskortingen met de verschuldigde premies niet worden toegekomen. Vanwege het ontbreken van belastingheffing in Nederland is artikel 26, tweede lid, van het Belastingverdrag Nederland – België niet van toepassing. Tevens is de inspecteur van mening dat artikel 45 van het VWEU niet is geschonden, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Een inwoner van Nederland of een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige komt aan verrekening toe, omdat hij in tegenstelling tot belanghebbende wel belastingplichtig is in Nederland.

Juridisch kader

5. In artikel 26, tweede lid, van het Belastingverdrag Nederland-België staat het volgende.

2. Natuurlijke personen die inwoner zijn van een van de verdragsluitende Staten en die voordelen of inkomsten uit de andere verdragsluitende Staat verkrijgen die ingevolge de bepalingen van hoofdstuk III van dit Verdrag ter heffing aan die andere Staat zijn toegewezen, hebben bij de belastingheffing in laatstbedoelde Staat, in de mate waarin die voordelen en inkomsten deel uitmaken van het wereldinkomen, recht op dezelfde persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin als inwoners van die andere Staat, voor zover zij overigens in gelijke omstandigheden verkeren als inwoners van die Staat.

Artikel 2.7, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2016) luidt als volgt.

“1. De over een kalenderjaar verschuldigde inkomstenbelasting is het gezamenlijke bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op:

a. het belastbare inkomen uit werk en woning;

b. het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en

c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

Voor belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar of een gedeelte daarvan binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 zijn, wordt het op grond van de eerste volzin berekende gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (artikel 8.3)."

In het Besluit is de volgende goedkeuring gegeven:

“Het in de vraagstelling gesignaleerde gevolg waarbij in een bijzondere situatie een deel van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting onverrekend blijft, terwijl belastingplichtige wel premie volksverzekeringen verschuldigd is, acht ik niet in overeenstemming met de achtergrond van de regeling. Daarom keur ik het volgende goed met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule).

In situaties waarin de berekende inkomstenbelasting (= de verschuldigde inkomstenbelasting na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting) lager is dan de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, wordt het niet-verrekende deel van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting in mindering gebracht op de verschuldigde premie volksverzekeringen. Hiermee wordt bereikt dat de gecombineerde heffingskorting volledig kan worden verrekend met de berekende inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, als deze gecombineerde inkomensheffing een hoger bedrag beloopt dan de gecombineerde heffingskorting.”

Beoordeling

6. Tussen partijen is niet langer in geschil dat op basis van het Belastingverdrag Nederland-België het heffingsrecht over het loon aan Nederland is toegewezen. Verder zijn partijen het erover eens dat belanghebbende op basis van de nationale wet niet belastingplichtig is in Nederland, ook niet als buitenlandse belastingplichtige. Hij is alleen premieplichtig in Nederland. De rechtbank acht dat juist. Vanwege het ontbreken van belastingplicht heeft belanghebbende op grond van de nationale wet geen recht op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen. De rechtbank zal beoordelen of belanghebbende desalniettemin daarop recht heeft op grond van artikel 26, tweede lid, van het Belastingverdrag Nederland-België dan wel artikel 45 VWEU. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is niet in geschil dat belanghebbende dat inkomstenbelastingdeel vervolgens op grond van het Besluit kan verrekenen met de verschuldigde premie volksverzekeringen. Verder stelt de rechtbank voorop dat dat artikel 26, tweede lid, van het Belastingverdrag Nederland-België alleen kan leiden tot toekenning van persoonlijke aftrekken, dus alleen tot toepassing van het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting en niet van de arbeidskorting.

Belanghebbende maakt de vergelijking met een inwoner van Nederland, die voor zijn volledige inkomen voorkoming van dubbele belasting krijgt. Niet in geschil is dat die recht zou hebben op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen, die hij ook zou mogen verrekenen met de premie volksverzekeringen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze vergelijking niet opgaat, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Een inwoner van Nederland is in Nederland onderworpen aan inkomstenbelastingheffing, terwijl bij belanghebbende geen sprake is van onderworpenheid aan Nederlandse inkomstenbelasting. In dat geval is geen sprake van een ongerechtvaardigde discriminatie van niet-ingezetenen en hoeven dus geen persoonlijke aftrekken worden toegekend. Niet op basis van artikel 26, tweede lid, van het Belastingverdrag Nederland-België en niet op basis van artikel 45 VWEU. Hieraan doet niet af dat heffingsrecht over het loon in het Belastingverdrag Nederland-België aan Nederland is toegewezen, omdat niet in geschil is dat belanghebbende op grond van de nationale wet niet belastingplichtig is. In artikel 26, tweede lid, van het Belastingverdrag Nederland-België staat ook dat recht bestaat op persoonlijke aftrekken bij belastingheffing in Nederland. Van belastingheffing in Nederland is echter geen sprake. De conclusie is dan ook dat geen recht bestaat op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen. Dit brengt mee dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 28 juli 2023. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

de griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. drs. S.J. Willems-Ruesink

Griffier

  • mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2023/1837 NDFR Nieuws 2023/1131 NTFR 2023/1379 met annotatie van mr. E.D. Postema NLF 2023/1844 Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/752 Viditax (FutD) 2023080404 FutD 2023-2106
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?