RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 september 2023 in de zaken tussen
[belanghebbende] gevestigd te [plaats] (Duitsland), belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummers: BRE 17/02474, 17/02475 en 17/02476
( [gemachtigde] )
en
Procesverloop
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van de inspecteur van 17 februari 2017 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
het jaar 2009 (zaaknummer BRE 17/02474);
het jaar 2010 (zaaknummer BRE 17/02475); en
het jaar 2011 (zaaknummer BRE 17/02476).
De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 3 maart 2022 in de gelegenheid gesteld om de beroepen naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 en
9 april 2021 nader te motiveren. Belanghebbende heeft een nadere motivering ingediend.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2023.
Namens belanghebbende is, met bericht, niemand verschenen.
Namens de inspecteur zijn verschenen: mr. [inspecteur 1] , mr. dr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] , drs. [inspecteur 5] en mr. [inspecteur 6] .
Overwegingen
1. In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting over de hiervoor onder het procesverloop vermelde jaren.
Beoordeling van het geschil
2. Belanghebbende heeft geen dividendnota’s overgelegd. Alleen al om die reden is de rechtbank van oordeel dat de verzochte teruggaven er op afstuiten dat belanghebbende, tegenover de betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat en zo ja hoeveel Nederlandse dividendbelasting is ingehouden in de betrokken jaren. De inspecteur heeft de teruggaafverzoeken dan ook terecht afgewezen. De rechtbank komt niet meer toe aan de vraag of belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (zie gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1699) en aan wat belanghebbende overigens heeft aangevoerd.
3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond.
Proceskosten
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en
mr. M.E. Kiers, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier op 12 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).