ECLI:NL:RBZWB:2023:767

ECLI:NL:RBZWB:2023:767, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-02-2023, 21/5036

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 09-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/5036
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320 BWBR0018450

Samenvatting

IB. Omkering en verzwaring van de bewijslast/geen aangifte gedaan. Ondernemingswinst en stakingswinst.

Uitspraak

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 19 oktober 2021.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegd:

- een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 125.134. Gelijktijdig heeft de inspecteur belanghebbende € 5.065 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 984 opgelegd;

- een aanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) naar een bijdrage-inkomen van € 165.000. Gelijktijdig heeft de inspecteur belanghebbende € 176 aan heffingsrente in rekening gebracht

(de aanslagen).

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de beslissingen van de inspecteur om de aanslagen niet ambtshalve te verminderen, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur: [inspecteur] en [inspecteur].

Feiten

2. Belanghebbende exploiteerde een aspergekwekerij aan de [adres] te [plaats 2]. In het kader van een onderzoek naar mensenhandel hebben politie en justitie begin januari 2010 een inval gedaan op het bedrijf. Belanghebbende is destijds gearresteerd en in hechtenis genomen. Zij heeft van 17 juni 2011 tot het einde van het jaar 2011 in detentie gezeten.

Uit gegevens van derdenonderzoeken volgt dat belanghebbende in 2011 met de (veiling)verkoop van asperges een opbrengst heeft behaald van € 231.960. Verder heeft belanghebbende inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking genoten ten bedrage van € 3.186 en heeft zij een bedrag van € 43.052 aan teveel ontvangen inkomsten uit vroegere dienstbetrekking terugbetaald.

De onroerende zaak aan de [adres] was eigendom van belanghebbende. Op 9 september 2011 heeft een executieveiling plaatsgevonden van (onder andere) deze onroerende zaak. Volgens een taxatierapport dat is opgesteld in opdracht van [X] kan de verkoopopbrengst van de betreffende onroerende zaak als volgt worden gesplitst:

Privé-deel

€ 164.000

Bedrijfsgebouwen en ondergrond

€ 311.600

Totaal

€ 475.600

Volgens een destijds ingesteld boekenonderzoek was de boekwaarde van de bedrijfsgebouwen en ondergrond op het moment van de executieveiling € 150.000.

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het indienen van een aangifte IB/PVV voor het jaar 2011. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte en dit uitstel is door de inspecteur verleend tot 1 mei 2013.

Belanghebbende heeft geen aangifte ingediend. De inspecteur heeft met dagtekening 10 januari 2015 de aanslagen ambtshalve opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht de verzoeken van belanghebbende om de aanslagen en de verzuimboete ambtshalve te verminderen heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de verzoeken van belanghebbende terecht afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Aanslagen

5. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende voor het jaar 2011 geen aangifte IB/PVV heeft ingediend terwijl zij daarvoor wel is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand. Dan staat vast dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat, op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.

Nu sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre het verzamelinkomen, zoals dat luidt na uitspraak op bezwaar, onjuist is.

De inspecteur heeft het behaalde ondernemingsresultaat berekend op € 181.960, zijnde € 231.960 aan netto-opbrengst van de (veiling)verkoop van asperges verminderd met € 50.000 aan loonkosten. De stakingswinst heeft de inspecteur berekend op € 86.600, bestaande uit de opbrengst van de executieveiling van de bedrijfsgebouwen van € 311.600 verminderd met een boekwaarde van € 225.000. Na aftrek van de zelfstandigenaftrek, stakingsaftrek en MKB-winstvrijstelling resulteert een belastbare winst van € 229.088. Verder heeft de inspecteur rekening gehouden met een bedrag aan inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 3.186 en een bedrag van € 43.052 negatief in verband met terugbetaling van teveel ontvangen inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. Daarmee komt het inkomen uit werk en woning op € 189.222.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur een redelijke schatting gemaakt door het inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) vast te stellen op € 125.134. Dit bedrag is gelet op wat onder 4.2 is overwogen niet te hoog.

Belanghebbende heeft gesteld dat de aanslagen naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Volgens belanghebbende is niet voldoende rekening gehouden met gemaakte kosten, zoals verbouwingskosten en afschrijvingskosten. Zij heeft geen onderbouwing van deze kosten ingebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende er daarom niet in geslaagd om te doen blijken dat de aanslagen naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. De inspecteur heeft derhalve terecht de verzoeken van belanghebbende om ambtshalve vermindering van de aanslagen afgewezen.

Verzuimboete

6. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een verzuimboete opgelegd van € 984 wegens het niet (tijdig) doen van aangifte. Zoals reeds eerder vastgesteld is niet in geschil dat belanghebbende over 2011 geen aangifte IB/PVV heeft ingediend. De verzuimboete is dan terecht opgelegd. De hoogte van de opgelegde boete is bepaald conform het bepaalde in paragraaf 21, onderdeel 6a, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (tekst 2011). De rechtbank acht de boete tevens passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen en de verzuimboete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 9 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).

Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.

Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. drs. M.H. van Schaik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2023/0614 Viditax (FutD) 2023031317 FutD 2023-0726
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?