ECLI:NL:RBZWB:2023:8028

ECLI:NL:RBZWB:2023:8028, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-11-2023, BRE - 21 _ 5091 en 22 _ 2456

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-11-2023
Datum publicatie 08-12-2023
Zaaknummer BRE - 21 _ 5091 en 22 _ 2456
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011353

Samenvatting

Geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, geen inkomensverklaringen

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 22 oktober 2021 en 28 april 2022.

De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen inkomstenbelasting (IB) voor de jaren 2018 en 2019 opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen).

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van [naam] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , en [inspecteur 3] .

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat de zaken worden aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen alsnog inkomensverklaringen voor de jaren 2018 en 2019 te verstrekken. Er is op verschillende momenten na de zitting telefonisch contact geweest tussen belanghebbende en de griffier over de stand van zaken. Van belanghebbende zijn geen stukken ontvangen. In het laatste telefonisch contact op 3 juli 2023 heeft belanghebbende aangegeven dat hij door omstandigheden niet binnen korte tijd over de inkomensverklaringen kan beschikken en dat de rechtbank uitspraak in zijn zaken kan doen.

De rechtbank heeft het onderzoek bij brief met dagtekening 6 oktober 2023 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.

3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen IB 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen tot de juiste bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1951 en woonde in 2018 en 2019 in Duitsland.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 een aangifte IB ingediend naar een belastbaar inkomen van € 54.130, bestaande uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 57.483 en negatieve inkomsten uit eigen woning van € 3.353.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2019 een aangifte IB ingediend naar een belastbaar inkomen van € 53.012, bestaande uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 56.505 en negatieve inkomsten uit eigen woning van € 3.493.

In de aangiften IB 2018 en 2019 heeft belanghebbende aangegeven dat hij kan worden aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).

De inspecteur heeft bij brieven van 18 april 2020 (voor het jaar 2018) respectievelijk 18 november 2021 (voor het jaar 2019) inkomensverklaringen als bedoeld in artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001 opgevraagd, omdat belanghebbende deze niet bij zijn aangiften IB heeft verstrekt. Belanghebbende heeft daarop de door de inspecteur gevraagde inkomensverklaringen niet overgelegd.

De inspecteur heeft belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De inspecteur heeft daarom de in de aangiften IB 2018 en 2019 aangegeven negatieve inkomsten uit eigen woning in aftrek geweigerd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is door de inspecteur bij de aanslagen IB 2018 en 2019 vastgesteld op € 57.483 (2018) respectievelijk € 56.505 (2019). Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht.

In de bezwaarfase is belanghebbende opnieuw verzocht om inkomensverklaringen voor de jaren 2018 en 2019 te overleggen. Belanghebbende heeft de inkomensverklaringen ook in de bezwaarfase niet overgelegd.

Overwegingen

5. Belanghebbende stelt – naar de rechtbank begrijpt en zakelijk weergegeven – dat de inspecteur bij de vaststelling van de aanslagen IB 2018 en 2019 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de negatieve inkomsten uit eigen woning en het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen.

De inspecteur hoeft als uitgangspunt geen rekening te houden met de negatieve inkomsten uit eigen woning en het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen in een situatie als die van belanghebbende, waarin sprake is van buitenlandse belastingplicht en de negatieve inkomsten betrekking hebben op een niet in Nederland gelegen woning. Een buitenlandse belastingplichtige kan op grond van de nationale regelgeving wel aanspraak maken op toepassing van de eigenwoningregeling als hij is aan te merken als ‘kwalificerende buitenlandse belastingplichtige’.

Om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt, moet worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001. Één van die voorwaarden is dat de belastingplichtige voor de betreffende jaren een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. Dat heeft belanghebbende – hoewel hij daartoe in de aanslagregelende fase, de bezwaarfase en de beroepsfase in de gelegenheid is gesteld – niet gedaan.

Belanghebbende heeft ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij in 2018 en 2019 aan alle (materiële) voorwaarden voldoet om te kunnen worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De enkele verklaring van belanghebbende dat hij in 2018 en 2019 geen inkomen in Duitsland heeft genoten en geen loonbelasting in Duitsland heeft betaald, kan het oordeel niet dragen dat belanghebbende voldoet aan de hiervoor bedoelde (materiële) voorwaarden. Deze verklaring van belanghebbende is namelijk niet onderbouwd.

Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de inspecteur zelf bij de Duitse belastingautoriteiten had kunnen nagaan of en in hoeverre belanghebbende in 2018 en 2019 aldaar loonbelasting of inkomstenbelasting heeft betaald. Belanghebbende miskent daarbij echter dat het op zijn weg ligt, en dus niet op die van de inspecteur, om aannemelijk te maken dat hij voor 2018 en 2019 kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.

Het voorgaande betekent dat de inspecteur op basis van nationale regelgeving terecht geen rekening heeft gehouden met de negatieve inkomsten uit eigen woning. Ook het Unierecht, met name de zogenoemde Schumacker-rechtspraak, leidt in dit geval niet tot de conclusie dat Nederland toch rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende, nu de hiervoor benodigde informatie niet is verstrekt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de aanslagen IB 2018 en 2019 tot de juiste bedragen vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB 2018 en 2019 in stand blijven. Ook de belastingrentebeschikkingen blijven in stand. Belanghebbende krijgt daarom het door hem betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 17 november 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. drs. M.H. van Schaik

Griffier

  • mr. F.E.M. Houben

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2023/2876 Viditax (FutD) 2023121111 FutD 2023-3204
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?