[eiseres], uit [plaats], eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring en de weigering van het UWV om terug te komen op de besluiten van 10 december 2004 en 18 januari 2011.
Eiseres heeft een herzieningsverzoek gedaan. Het UWV heeft het dit verzoek aangemerkt als een bezwaarschrift. Met het besluit van 19 juli 2022 (bestreden besluit 1) heeft het UWV het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij geen bezwaarschrift heeft ingediend maar een herzieningsverzoek. Het UWV heeft erkend dat er sprake was van een herzieningsverzoek en heeft met het besluit van 28 februari 2023 (bestreden besluit 2) geweigerd terug te komen op de eerdere besluiten. Met haar brief van 11 april 2023 heeft eiseres gesteld het niet eens te zijn met de weigering. Daarbij heeft zij tevens opgemerkt dat zij geen vertrouwen meer heeft in het UWV. Mede gelet op hetgeen ter zitting is besproken, zal de rechtbank de brief van 11 april 2023 aanmerken als een rechtstreeks beroep zoals bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en namens het UWV is [naam] verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Eiseres heeft zich op 2 maart 2004 ziek gemeld. Met het besluit van 10 december 2004 is zij per 13 december 2004 hersteld verklaard. Het bezwaar, beroep en hoger beroep tegen deze hersteldverklaring is ongegrond verklaard. Ook het herzieningsverzoek dat eiseres heeft ingediend bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is afgewezen.
In december 2010 heeft eiseres verzocht om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het UWV geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is ongegrond verklaard.
2. In juli 2012 heeft eiseres verzocht om terug te komen op het besluit van 18 januari 2011. Het UWV heeft geweigerd terug te komen op dat besluit. Eiseres heeft bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld tegen deze weigering. De CRvB heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
3. Met haar brief van 5 juni 2022 heeft eiseres verzocht om herziening van de besluiten over haar arbeidsongeschiktheid en de afwijzing van haar WIA-uitkering. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft eiseres verwezen naar een brief van 8 november 2001 van de parodontoloog en heeft zij gewezen op een Brits onderzoek waaruit blijkt dat parodontitis een gevaarlijke ziekte is. Naar aanleiding van deze brief heeft het UWV de bestreden besluiten 1 en 2 genomen.
Bestreden besluit 1
Bestreden besluit 2
3. Het UWV heeft erkend dat de brief van 5 juni 2022 ten onrechte is aangemerkt als een bezwaarschrift. Gelet op deze erkenning heeft eiseres geen belang meer bij een oordeel over bestreden besluit 1. Het beroep voor zover dat gericht was tegen bestreden besluit 1 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op de besluiten van 10 december 2004 en 18 januari 2011. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Wettelijk kader
5. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
In artikel 4:6, tweede lid, van de Awb is bepaald dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Beoordelingskader
6. Volgens vaste rechtspraak moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheids-uitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
Stukken die voorafgaand aan de beslissing op bezwaar niet bij het bestuursorgaan bekend waren, kunnen in beginsel niet betrokken worden in de beroepsprocedure. Dit is alleen anders in zaken waar sprake is van een duuraanspraak en het verzoek om herziening in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd.
Standpunt eiseres
7. Eiseres heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat zij sinds 1 mei 2002 arbeidsongeschikt was. Destijds heeft de keuringsarts in 10 minuten geoordeeld dat zij arbeidsgeschikt was. Omdat zij erg ziek was, is ze toen vergeten te melden dat ze parodontitis heeft. Daarnaast is ze psychisch erg beschadigd door diverse voorvallen.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres nogmaals de brief van de parodontoloog van 8 november 2001 overgelegd.
Standpunt UWV
8. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een medische onderbouwing van het verzoek om terug te komen op de eerdere hersteldverklaring. De brief van 8 november 2001 is geen nieuw feit. Ook het Britse onderzoek uit 2021 waarnaar eiseres verwijst is geen nieuw feit. Het gaat om informatie van algemene aard en ziet niet op de individuele situatie van eiseres.
Overwegingen rechtbank
9. Uit de stukken en hetgeen besproken is ter zitting blijkt dat eiseres met haar herzieningsverzoek uitsluitend de bedoeling heeft gehad dat terug wordt gekomen van de besluiten 10 december 2004 en 18 januari 2011. Er is geen sprake van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid en er is ook geen sprake van een duuraanspraak. Eiseres ontvangt immers al geruime tijd een AOW-uitkering.
10. Het UWV heeft toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
11. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig en volledig is geweest. De motivering van het UWV waarom de door eiseres overgelegde brief van de parodontoloog niet aangemerkt kan worden als een nieuw feit is inzichtelijk en kan de rechtbank volgen. Nog los van het feit dat deze brief in tijd gelegen is voor de besluiten waarvan herziening is verzocht, blijkt uit deze brief alleen dat dat eiseres door haar tandarts is verwezen vanwege tandvleesproblemen. De brief bevat verder alleen algemene informatie over de oorzaak van parodontitis, de behandeling en de wachtlijst voor de behandeling. Uit deze brief blijkt niet of en zo ja welke beperkingen eiseres hierdoor heeft. Hetzelfde geldt voor het Brits onderzoek naar parodontitis. In beroep heeft eiseres nog verwezen naar een aantal artikelen over parodontitis. Hoewel eiseres deze artikelen niet voorafgaand aan bestreden besluit 2 heeft ingebracht, wil de rechtbank hierover nog wel opmerken dat ook deze artikelen alleen algemene informatie bevatten en niets zeggen over de beperkingen van eiseres.
12. Uit wat onder punt 11 is overwogen volgt dat het UWV terecht heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. In wat eiseres verder naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de weigering om terug te komen van de genoemde besluiten evident onredelijk is. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 zal daarom ongegrond worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
13. Omdat het UWV het herzieningsverzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een bezwaar ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten bestaan uit de reiskosten van eiseres op basis van het openbaar vervoer 2e klasse. Dit is een bedrag van € 15,76. Ook zal het UWV het door eiseres betaalde griffierecht aan haar moeten vergoeden.
Beslissing
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier op 12 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.