ECLI:NL:RBZWB:2024:1131

ECLI:NL:RBZWB:2024:1131, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23-02-2024, AWB- 24_1398 VV en AWB 23_11058

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-02-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB- 24_1398 VV en AWB 23_11058
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats Breda
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2024:3003
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Verlenen omgevingsvergunning kappen bomen (21)

Uitspraak

Beoordeling verzet

14. Deze uitspraak op het verzet van [naam verzoekers] gaat over de uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2024 waarin de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen het verzoek om een voorlopige voorziening heeft afgewezen, maar ook het beroep van [naam verzoekers] ongegrond heeft verklaard.

15. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak allereerst of in de uitspraak van 26 januari 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is.

Aan de inhoud van de gronden die [naam verzoekers] in de voorlopige voorziening heeft aangevoerd komt de voorzieningenrechter pas toe als het verzet gegrond is.

Kortsluiten zonder zitting

16. [naam verzoekers] is voorafgaand aan de uitspraak van 26 januari 2024 niet op een zitting gehoord. Zoals ter zitting van 20 februari 2024 besproken was het daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb formeel niet mogelijk om meteen ook op het beroep te beslissen (oftewel ‘kort te sluiten’). Uit artikel 8:86, lid 1, van de Awb en de memorie van antwoord (PG Awb II, p. 512) volgt dat de voorzieningenrechter een zaak alleen kan kortsluiten als hij na de zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Voorwaarde is dus dat een zitting is gehouden waarop ook de hoofdzaak aan de orde is gekomen en waarin verzoekster de gelegenheid heeft gehad om haar standpunten toe te lichten. Aan die voorwaarde is in dit geval niet voldaan.

17. Het verzet betreft uitsluitend de beoordeling van de vraag of de voorzieningenrechter al dan niet terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep. Dit betekent dat de beoordeling in de verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder op zitting te horen. Zoals hiervoor overwogen is dat niet het geval. Reeds daarom kon de voorzieningenrechter in dit geval niet tot het oordeel komen dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen in de verzetprocedure

18. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter in de buiten-zittingsuitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, ongegrond was. Het verzet is dus gegrond. Op grond van artikel 8:55, negende lid, van de Awb vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Dat betekent in dit geval dat de buiten-zittingsuitspraak vervalt, voor zover deze ziet op het beroep.

Beoordeling beroep

Aanvullende gronden van [naam verzoekers]

19. [naam verzoekers] heeft allereerst aangevoerd dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 26 januari 2024 ten onrechte heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake zou zijn van een groenplan als bedoeld in de inspraakverordening. Daartoe wijst [naam verzoekers] op de inhoud van de twee gezamenlijke besluiten van de gemeenteraad van 4 juli 2023 getiteld “Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Oosterhout 2022 (APV) gerelateerd aan het bomencompensatiebeleid en groenbeleid” en “Bomencompensatiebeleid en samenhangend groenbeleid 2023”. Gelet op de in deze besluiten genoemde aspecten rond het groenbeleid van de gemeente Oosterhout is volgens [naam verzoekers] zonder meer sprake van een groenplan. Er had derhalve inspraak plaats moeten vinden. Nu dat is nagelaten zijn de besluiten van 4 juli 2023 nietig, althans behoren deze via exceptieve toetsing buiten toepassing te blijven.

Verder voert [naam verzoekers] aan dat de overweging van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 26 januari 2024, dat exceptieve toetsing haar niet zou kunnen baten, onbegrijpelijk is. Zij heeft namelijk verzocht om de besluiten waarbij de artikelen 4.10, 4.11 en 4.12 van de APV zijn gewijzigd buiten toepassing te verklaren. Wanneer een wijzigingsbesluit buiten toepassing wordt gelaten betekent dat volgens [naam verzoekers] dat de oorspronkelijke artikelen (tot nader order) niet zijn gewijzigd.

20. Ter zitting heeft [naam verzoekers] haar standpunt nader toegelicht. De voorzieningenrechter begrijpt dat [naam verzoekers] zich op het standpunt stelt dat de wijziging van de APV op grond van exceptieve toetsing buiten toepassing moet worden gelaten in dit geval, omdat deze wijziging in strijd met de inspraakverordening heeft plaatsgevonden. Het gevolg daarvan is volgens [naam verzoekers] dat de (voor de wijziging van de APV van kracht zijnde) vergunningplicht voor de kap van deze bomen nog steeds geldt, zodat [naam verzoekers] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. Het college dient de inhoudelijke gronden van [naam verzoekers] daarom alsnog te beoordelen, aldus [naam verzoekers] .

Exceptieve toetsing

21. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 december 2020, stelt de voorzieningenrechter voorop dat een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, door de rechter in een zaak over een besluit dat op zo’n voorschrift berust, kan worden getoetst op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De rechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, waarbij de enkele strijd met formele beginselen als het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 van de Awb) en het motiveringsbeginsel niet kunnen leiden tot het onverbindend achten van een algemeen verbindend voorschrift.

22. De gemeenteraad heeft volgens [naam verzoekers] gehandeld in strijd met artikel 2 onder g van de inspraakverordening door de APV zonder enige vorm van inspraak te wijzigen. De wijziging van een APV is echter een autonome bevoegdheid van de gemeenteraad. De inspraakverordening speelt in dat kader geen rol. Dat er sprake is van een zekere samenhang tussen de wijziging van het groenbeleid en de wijziging van de APV, zoals [naam verzoekers] ter zitting heeft benadrukt, maakt niet dat de wijziging van de APV kan worden aangemerkt als een groenplan zoals bedoeld in de inspraakverordening. [naam verzoekers] heeft voorafgaand aan de wijziging een mogelijkheid gehad haar bedenkingen te uiten door gebruik te maken van het spreekrecht tijdens de raadsvergadering. Van deze laatste mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

23. Van een wijziging van de APV in strijd met de inspraakverordening is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus geen sprake. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook anderszins niet gebleken van strijdigheid met een hoger wettelijk voorschrift of algemeen rechtsbeginsel. Daarbij ligt de lat voor exceptieve toetsing heel hoog. Exceptieve toetsing vindt slechts in uitzonderlijke gevallen plaats en de voorzieningenrechter is van oordeel dat het handelen van de gemeente in dit geval niet dermate onzorgvuldig is dat dit een geslaagd beroep op exceptieve toetsing kan rechtvaardigen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de gewijzigde bepalingen in de APV in dit geval buiten toepassing moeten worden gelaten.

24. Het beroep van [naam verzoekers] op het verdrag van Aarhus slaagt evenmin. Dit verdrag heeft betrekking op milieuactiviteiten en niet op het vellen van bomen.

25. De voorzieningenrechter merkt tot slot op dat het de vraag is of het bezwaar van [naam verzoekers] niet-ontvankelijk of ongegrond had moeten worden verklaard door het college. Omdat er op het moment van de beslissing op bezwaar geen vergunningplicht meer bestond voor het kappen van de bomen had het college, naar het recht zoals dat op dat moment gold, de aanvraag in bezwaar ook op die grond kunnen afwijzen en het bezwaar van [naam verzoekers] naar het oordeel van de voorzieningenrechter ongegrond kunnen verklaren. Voor het vervolg van het geschil tussen partijen had dat echter weinig verschil gemaakt. Voor het overige leiden de beroepsgronden niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen in het beroep en de voorlopige voorziening

26. Gelet op het voorgaande wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86, lid 1, van de Awb ongegrond verklaard. Gegeven deze uitkomst wordt ook het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, met analoge toepassing van artikel 8:87 Awb, afgewezen.

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

in de verzetprocedure

- verklaart het verzet gegrond;

- bepaalt dat de griffier van de rechtbank de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 875,00 vergoedt.

in het beroep en de voorlopige voorziening

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2024 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Voor zover op het beroep is beslist, kan een hogerberoepschrift worden gestuurd naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. drs. E.J. Govaers

Griffier

  • mr. C.F.E.M. Mes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?